| 1 |
|
Hydraulische randvoorwaarden voor categorie c-keringen: Achtergrondrapport keringen langs het Amsterdam–Rijnkanaal en Noordzeekanaal (dijkring 13, 14 en 15)
Dit rapport geeft nadere achtergrondinformatie over de werkwijze waarop de Toetspeilen voor de c-keringen langs het Amsterdam-Rijnkanaal (dijkring 14 en 15) en het Noordzeekanaal (dijkring 13 en 14) zijn bepaald. Informatie wordt gegeven over de ligging van de c-kering met specifieke kenmerken van het gebied die van belang zijn voor het overstromingspatroon. Ook de aanpak van de overstromingsmodellering, de resultaten van de overstromingsberekeningen en de berekening van het Toetspeil worden genoemd.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 2 |
|
Allerheiligenvloed 2006: Achtergrondverslag van de stormvloed van 1 november 2006
De stormvloed van 1 november 2006, de Allerheiligenvloed genaamd, heeft na analyse van de waterstandsverwachting, de golfmetingen bij Schiermonnikoog Noord (SON), de veekranden en de duinafslag, geleid tot aanbevelingen voor het informatie- en kennisontwikkelingsproces. Het betreft aanbevelingen voor het instrumentarium van de SVSD, voor het inwinnen en interpreteren van gegevens en voor vervolgactiviteiten naar aanleiding van de gegevens van de Allerheiligenvloed 2006. In het volgende worden de conclusies voor het gebeurde tijdens de Allerheiligenvloed en de aanbevelingen voor het vervolg kort samengevat.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 3 |
|
Een dijk van een kwelder: Een verkenning naar de golfreducerende werking van kwelders
Dit rapport geeft een samenvatting van relevant onderzoek naar de golfreducerende werking van kwelders en schetst de randvoorwaarden voor kweldervorming. Kwelders vormen een zone in het intergetijdengebied die de golven beïnvloeden door de weerstand van de bodem en de kweldervegetatie. De golfreducerende werking is afhankelijk van de hoogte en breedte van de kwelder, maar ook van de optredende waterstanden. Het is nog onduidelijk in hoeverre kwelders een bijdrage kunnen leveren aan de waterveiligheid in een veranderend klimaat. De studie is verricht in opdracht van het Deltaprogramma Deelprogramma Waddengebied en vormt een stap in het verkennen van geschikte waterveiligheidsstrategieën in het Waddengebied die zich naast waterveiligheid richten op doelstellingen voor natuur en ruimtelijke kwaliteit.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
Kribben van de toekomst
In 2006 is door Rijkswaterstaat een prijsvraag uitgeschreven voor het ontwerp van een innovatief ontwerp voor een rivierkrib. Een viertal inzendingen zijn uiteindelijk genomineerd: De Eilandkrib, Jack de Kribber, De module krib en De Zelfregulerende krib. Bijzondere vermeldingen waren er voor de Modulaire Variabele krib en de Powerkrib.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 5 |
|
Zeetoegang IJmond: Een probleeminventarisatie naar de aanwezigheid van Conventionele Explosieven
DHV heeft AVG opdracht verleend om een probleeminventarisatie naar de aanwezigheid van conventionele explosieven uit te voeren voor het project ‘Planstudie fase 1 Zeetoegang IJmond’.
Het onderzoeksgebied ligt in IJmuiden. Hier zal een Nieuwe Zeesluis worden gerealiseerd tussen de huidige Noordersluis en Middensluis. Het Middensluiseiland wordt in de toekomst volledig verwijderd, dit geldt ook voor een gedeelte van het Zuidersluiseiland (Oost). Tevens staan er in de nabije omgeving baggerwerkzaamheden gepland, in verband met het aansluiten op de bestaande vaargeul(en).Het doel van het historisch onderzoek is om aan de hand van een breed scala aan historisch feitenmateriaal een zo genuanceerd mogelijk beeld te verkrijgen m.b.t. het onderzoeksgebied in de Tweede Wereldoorlog. Aan de hand van deze gegevens wordt een antwoord gegeven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven. Het onderzoek resulteert in een horizontale afbakening van het verdachte gebied door middel van GIS kaartmateriaal en het advies om het onderzoek onder reguliere omstandigheden uit te voeren, of vervolgstappen te zetten in de vorm van een probleemanalyse en risicoanalyse.
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 6 |
|
Bodemtransport en duinontwikkeling in de Rijntakken, bodempeilen hoogwater november 1998
Het doel van alle bodempeilingen van duinpatronen tijdens hoogwaters in de Bovenrijn en Waal van de laatste tien jaar was het nauwkeurig be pal en van het bodemtransport met behulp van de duinverplaatsingsmethode (Engels: dune tracking). Vooral de transportverdeling rond het splitsingspunt bij de Pannerdensche Kop had speciale aandacht. Uit de onderzoeken van Wilbers (1997, 1998a, 1998b) bleek dat de transporten in de Waal bij Druten redelijk goed te bepalen waren. Rond de Pannerdensche Kop echter konden er geen of nauwelijks transporten worden berekend omdat de duinen klein waren en te snel migreerden tussen twee metingen. Wel werd er van de verschillende locaties in de Bovenrijn en Waal en Pannerdensch kanaal een duidelijk beeld van de duinontwikkelingen tijdens een hoog water verkregen. Met deze kennis van zaken in het achterhoofd werd door Rijkswaterstaat (RIZA en Directie Oost Nederland) besloten om nogmaals tijdens een hoogwater bodempeilingen te doen. Eind oktober 1998 diende zich een geschikt hoogwater aan. Met behulp van de nieuwste apparatuur (multibeam echosounders) aan boord van verschillende schepen werden er weken lang, twee maal per dag bodempeilingen gedaan in de Waal bij Beneden-Leeuwen en in de Bovenrijn-Waal en het Pannerdensch Kanaal rond de Pannerdensche Kop.
In dit rapport worden de resultaten beschreven van de verwerking van de gemeten data voor het
bepalen van het bodemtransport. Daarbij gaat de aandacht vooral uit naar de duinontwikkeling en het bodemtransport tijdens dit hoogwater. Daarnaast is ook de nodige aandacht besteed aan problemen die ontstonden bij het gebruik van multibeam data. Een belangrijk deel van deze problem en zijn uitgewerkt met behulp van een gevoeligheidsanalyse (Withers en Kleinhans, 1999). Door de hoge puntdichtheid van de multibeam data werd ingeschat dat het mogelijk moest zijn om de duinkarakteristieken en het bodemtransport per meter breedte van de rivier te bepalen. Bij de berekening van de duinontwikkeling en het bodemtransport is daarom extra aandacht besteed aan de verdeling daarvan over de breedte van de rivier.
In hoofdstuk 2 wordt er een beschrijving gegeven van het hoogwater, de meetlocaties en de
meetstrategie. Hoofdstuk 3 is onder verdeeld op grond van de 2 meetlocaties. Paragraaf 3.1 beschrijft de resultaten van de duinontwikkeling en het bodemtransport in de Waal bij BenedenLeeuwen.
Paragraaf 3.2 beschrijft de resultaten rond de Pannerdensche Kop voor de drie afzonderlijke takken (Bovenrijn, Pannerdensch kanaal en de Waal). Hoofdstuk 4 bevat een discussie van de problemen, de duinontwikkeling en het bodemtransport. De informatie van de verschillende locaties wordt met elkaar vergeleken en er worden enkele conclusies getrokken. Deze conclusies worden samengevat in hoofdstuk 5 en tevens worden hier nog enkele belangrijke aanbevelingen gedaan die van belang zijn voor volgende meetcampagnes.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 7 |
|
Duinkarakteristieken en dune tracking tijdens een hoogwater in de Rijntakken
In het kader van een kwantificering van de zandbalans van de Waal zijn er tijdens een hoogwater in het voorjaar van 1997 metingen verricht van de bedding van de rivier. Deze metingen zijn gedaan in 2 gebieden van de Waal, nabij de Pannerdensche kop en bij Druten. Om de metingen te verwerken en te gebruiken voor dune tracking is voor aanvang van dit onderzoek het computer programma DT2D ontwikkeld (Wesseling, 1997).
Het programma DT2D is in staat om gegevens van een singiebeam of een muitibeam echoloder te verwerken. Nadat de gegevens ingelezen zijn, wordt tussen twee opeenvolgende metingen met behulp van een kruiscorrelatie methode de gemiddelde migratie van de duinen berekend. Daarbij worden eerst duinen in de lodingen geidentificeerd. Van elke duin wordt de lengle, hoogte en de helling van de loef- en lijzijde bepaald. Deze duinkarakteristieken kunnen worden geexporteerd en met behulp van de metingen wordt door DT2D ook een hoogtemodel geïnterpoleerd.
Uit de resultaten blijkt dat er in het gebied bij Druten twee soorten duinen voorkwamen (kleine en grote duinen), die ten opzichte van elkaar een duidelijk ander gedrag vertoonden (in de veranderingen van de duinkarakteristieken) tijdens het afvoerverloop. Bij de Pannerdensche kop kwamen aileen kleine duinen voor. Deze gedroegen zich hetzelfde als de kleine duinen in Druten. Vanwege het feit dat de kleine duinen (zowel in Druten als rond de Pannerdensche kop) een (werkelijke) migratie hadden van meer dan 1 duinlengte per dag kon met behulp van de kruiscorrelatie methode geen migratie worden berekend in deze gebieden. Hierdoor kon alleen, met behulp van de grote duinen, in Druten via dune tracking het bodemtransport worden bepaald. Uit de resultaten blijkt dat tussen 27 februari en 14 maart een gemiddeld bodemtransport is opgetreden van 856 m3/dag. Dat komt overeen met een hoeveelheid van 12840 m3 tijdens dit hoogwater voor een gebied van 11 km lengte en 240m breed.
Ondanks het feit dat het programma DT2D goede resultaten geeft, kent het nog enkele problemen. Als het gebied waar gemeten is niet van Oost naar West loopt dan veroorzaakt de ligging een duidelijke (en moeilijk te kwantificeren) fout in de berekening van de migratie. Daamaast heeft het programma moeite met het lokaliseren van duinen. Beide problemen zullen in de toekomst verholpen moeten worden.
|
[PDF]
[Abstract]
|