| 1 |
|
Ecologische en bestuurlijk-juridische argumenten voor een integraal kustzonebeleid in Nederland: een amfibische benadering
Verkenning naar ecologische en bestuurlijk-juridische inzichten welke gehanteerd kunnen worden op weg naar een meer geïntegreerd kustbeheer, waarbijk zowel de landgedeelten als de ondiepe wateren in samenhang worden beschouwd ten dienste van een duurzame bestemming, inrichting en beheer.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 2 |
|
Nationaal kader Kust: Naar een veilige, sterke en mooie Noordzeekust
Het Deelprogramma Kust van het Deltaprogramma (verder aangeduid als Deltaprogramma Kust) heeft tot doel te verkennen wat nodig is voor een toekomstbestendige kust, die het aangrenzend binnenland duurzaam en (kosten)efficiënt verdedigt tegen overstroming vanuit zee en die tevens ruimte biedt aan behoud en ontwikkeling van functies in de kust. Het Deltaprogramma Kust doet dit door de lange termijn veiligheidsopgaven voor de kust optimaal te verbinden aan ruimtelijke opgaven. Een breed gedragen streefbeeld van de kust zal richting geven aan de op te stellen beleidstrategieën hoe op lange maar ook op de korte termijn gewerkt gaat worden aan een klimaatbestendige en mooi ingerichte kust. Dit vraagt om een wisselwerking met andere deelprogramma’s, met name Waddengebied, Zuidwestelijke Delta en Rijnmond/- Drechtsteden, waar deze raken aan de Noordzeekust.
De tijdshorizon van 2100 en verder is daarbij een bijzondere uitdaging. Bij de provinciale en nationale kustvisies zal men moeten omgaan met onzekerheden door uit te gaan van verschillende scenario’s voor klimaatverandering en ruimtelijk-economische ontwikkeling (zie paragraaf 2.3). Verschillende klimaatscenario’s werken door in de snelheid van zeespiegelstijging, en leiden daarmee tot verschillende veiligheidsopgaven voor de kust. Ruimtelijk-economische scenario’s zullen gevolgen hebben voor de mate van ruimtedruk op de kust. Het Nationaal Kader Kust moet hierbij houvast bieden. Er is voor gekozen om hiertoe een aantal bouwstenen voor een Nationale Visie Kust te schetsen (hoofdstuk 2). Deze bouwstenen bevatten een aantal principes om opgaven voor veiligheid en ruimtelijke kwaliteit te vertalen in beleid en uitvoering. Op deze wijze wil dit Nationaal Kader een basis bieden voor de opstelling van integrale lange termijn kustvisies en/of strategische agenda’s per provincie en ook daarvoor een inspiratiebron zijn.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 3 |
|
De kust in breder perspectief: basisrapport kustnota 1995
Sinds de beleidskeuze in 1990 is de uitvoering van 'dynamisch handhaven' met kracht ter hand genomen. Overal langs de kust is de veiligheid tegen overstroming door de zee gehandhaafd. Met het bestrijden van de structurele erosie zijn de mogelijkheden voor behoud en ontwikkeling van functies in de duinen en op het strand toegenomen. Op de meeste plaatsen is de kusterosie de afgelopen vier jaar tot staan gebracht. In 1994 is echter nog steeds sprake van een suppletieachterstand die langzaam wordt ingelopen. Structurele erosie is een direct gevolg van zandtekorten in de kustzone. In de praktijk is gebleken dat de keuze voor zandsuppletie als belangrijkste methode van kustverdediging juist is. Op grotere tijd- en ruimteschalen bezien, vormen herhaalde suppleties de enige structurele oplossing voor het zandtekort in de kustzone. Er is voldoende zand aanwezig op de bodem van de Noordzee om de komende honderden jaren te blijven suppleren. In specifieke gevallen kan de aanleg van een 'harde' constructie, in combinatie met een suppletie, lonend zijn; dan is sprake van een lokale optimalisatie van 'dynamisch handhaven'. Een harde constructie biedt echter geen oplossing voor het zandtekort. Van 1991 t/m 1994 is jaarlijks gemiddeld 7 miljoen m3 zand gesuppleerd.
Daarmee konden de zandverliezen in de kustnabije zone, tot 6 a 8 m beneden NAP, van erosieve kustvakken worden gecompenseerd. De versteiling van de onderwateroever buiten de brandingszone en de volumeafname van de buitendelta's van de Waddenzee worden er niet door gestopt. Op de langere termijn (40 a 100 jaar) zal dit, zeker als de zeespiegel sneller stijgt dan nu, tot versterkte kusterosie leiden.
Wanneer de zandverliezen op de onderwateroever moeten worden aangepakt en op welke wijze dat het meest efficiënt kan gebeuren, is nog onvoldoende duidelijk. De onderzoekinspanningen voor de komende jaren zullen daar in belangrijke mate op gericht moeten zijn.
De mogelijkheden voor herstel en ontwikkeling van de natuurlijke dynamiek van de kustzone, met behoud van de veiligheid als randvoorwaarde, worden nog onvoldoende benut. In brede duingebieden zouden bij voorkeur brede waterkeringszones aangewezen moeten worden om meer ruimte te bieden voor andere functies. Waar de duinen breed zijn, kan het zeereep-onderhoud worden geëxtensiveerd.Met het huidige budget voor de kustlijnzorg (ruim 60 miljoen gulden per jaar) blijft het de komende decennia mogelijk de kustlijn te handhaven. In de periode tot 2010 is per jaar 6 a 6,5 miljoen m3 suppletiezand nodig om de zandverliezen in de kustnabije zone te compenseren.
Voor een duurzame ontwikkeling van de kustzone dienen maatregelen ter handhaving van de kustlijn in breder perspectief te worden beschouwd. De kustlijn zal als onderdeel van de kustzone gezien moeten worden. Daarvoor is een samenhangende visie op (de ontwikkeling van) de kustzone nodig die bij voorkeur door alle betrokken actoren gezamenlijk wordt ontwikkeld. De uitwerking van zo'n visie in regionale kustbeheerplannen kan tot de taken van de Provinciale Overlegorganen voor de Kust worden gerekend.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
Climate of coastal cooperation
A book for coastal stakeholders and professionals who are or will be responsible for physical planning, applied research and management of coastal resources. It gives summaries of policy statements, case studies and tools
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 5 |
|
Covering the coasts: A reporter's guide to coastal and marine resources
Manual for reporters with factual information related to the coasts of the USA. Includes legal information, environmental requirements.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 6 |
|
Eindrapportage Flyland
Het kabinet heeft eind 1999 gekozen voor beperkte groei van de luchthaven Schiphol op de huidige locatie voor de korte en middellange termijn. Om te bepalen of een luchthaveneiland op de lange termijn een alternatief voor de huidige Schiphol-locatie zou zijn, besloot het kabinet de haalbaarheid hiervan verder te onderzoeken aan de hand van een meerjarig onderzoeksprogramma, Flyland. Eind 2002 bleek dat als gevolg van diverse mondiale ontwikkelingen in de luchtvaart een mogelijk alternatief voor Schiphol pas veel later aan de orde zou zijn dan in 1999 was voorzien. Dit inzicht leidde tot bijstelling van de prioriteit van dit onderzoek bij de opdrachtgevers en tot bevriezing van Flyland. Deze voortijdige eindrapportage van het programmabureau Flyland geeft een beeld van de onderzoeksresultaten per begin 2003, drie jaar vóór het oorspronkelijk beoogde einde van het onderzoeksprogramma. Het grootste deel van het geplande onderzoek is derhalve nog niet verricht. De meeste onderzoeksthema’s van Flyland bevonden zich begin 2003 in de voorbereidingsof aanbestedingsfase. Van de thema’s Mariene Ecologie & Morfologie, Vogels & Vliegveiligheid, Bereikbaarheid en Operationele Integriteit is een beperkt aantal resultaten beschikbaar uit onderzoek dat wel is aanbesteed. Van de overige thema’s is een aantal nieuwe inzichten beschikbaar uit de voorbereidingsfase. Op basis van de verworven kennis kan met enige voorzichtigheid toch een aantal richtinggevende uitspraken worden gedaan over de kansen en risico’s van een luchthaveneiland in de Noordzee. De belangrijkste conclusies samengevat zijn:
1. Naar aanleiding van onder andere discussies met stakeholders is het inzicht ontstaan dat niet langer de (on)mogelijkheid van zo’n luchthaven centraal moet staan in het onderzoek, maar dat het gaat om het in kaart brengen van de effecten én de mogelijkheden die een luchthaven in de Noordzee met zich meebrengt op het gebied van milieu, economie, veiligheid en ruimte. Daarmee kunnen bouwstenen geleverd worden die, desgewenst, bijdragen aan een kabinetsbesluit over de wenselijkheid van een luchthaven in de Noordzee.
2. Er zijn geen absolute onmogelijkheden om een eiland in de Noordzee te realiseren. Uit de voorbereidingen voor het onderzoek en verrichte voorstudies is gebleken dat een luchthaven in zee mogelijk risico’s met zich meebrengt, maar dat maatregelen zijn te treffen om deze risico’s beheersbaar te maken.
3. De samenhang tussen de afzonderlijke thema’s vraagt om een programmabreed beoordelingskader waarin de maatschappelijke of strategische baten-kosten en kansen-risico’s samenkomen voor nadere analyse.
4. Er is beter zicht gekregen op de nog aanwezige kennisleemten over een luchthaven op een eiland in de Noordzee en op inconsistenties in het voorafgaande onderzoek uit de jaren 1998 en 1999.
5. Door de gehanteerde maatschappelijke en wetenschappelijke borging bij de bepaling van de onderzoeksagenda heeft een zekere garantstelling plaatsgevonden dat de juiste onderzoeks-vragen op de juiste wijze zouden worden beantwoord. Dit is - nog ongeacht de uitkomsten van het onderzoek - een kwaliteitsborging die doorwerkt in het latere besluitvormingsproces.
6. Specifieke conclusies uit het onderzoek (een deel van de thema’s):
6.1 Mariene Ecologie & Morfologie:
• de verwachting is dat een integraal model de betrouwbaarheid van de effectvoorspellingen tot en met de soorten die hoger op de ecologische ladder staan (hogere trofische niveaus) zoals vissen en vogels zal vergroten;
• al het benodigde zand kan gewonnen worden zonder effecten voor de Waddenzee en de Duitse Bocht en met acceptabele effecten in de kustzone, met een voorbehoud ten aanzien van enkele nog nader te onderbouwen effecten op de hogere trofische niveaus;
• een eiland op minstens 8 km uit de kust zal geen morfologische effecten veroorzaken die tot een mogelijke no-go beslissing zal leiden.
6.2 Vogels en Vliegveiligheid: de verwachting is dat, behalve bijzondere omstandigheden zoals falls, de problematiek van vogelaanvaringen te beheersen is door een juiste inrichting en verjaging.
6.3 Bereikbaarheid: een multimodale ontsluiting van het eiland ligt voor de hand, gezien de belangrijkste beslisfactoren. Wanneer alleen de start- en landingsbanen en beperkte terminalfuncties op zee worden gelegd, kan misschien alleen een spoorverbinding als luchthavenintern systeem volstaan.
6.4 Operationele Integriteit, windschermenonderzoek: windschermen langs de start- en landingsbanen maken de starts en vooral landingen onveiliger.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 7 |
|
Eeen beeld van de Noordzee, economische gegevens van de belangrijkste gebruiksfuncties
In opdracht van de directie Noordzee van de Rijkswaterstaat is een set met economische kentallen ontwikkeld. Deze database biedt mogelijkheden om het economisch belang in beeld te brengen van
zowel de afzonderlijke activiteiten op de Noordzee, als het gezamenlijke belang hiervan voor de Nederlandse samenleving.
Het rapport richt zich op de kenmerkende gebruiksfuncties1 van de zee. Enerzijds is de aandacht hierbij gericht op activiteiten op zee, terwijl anderzijds is gelet op activiteiten die in nauwe relaties staan tot de zee.
Voor het onderzoek is uitgegaan van beschikbare informatiebronnen.
Hierdoor zijn een aantal functies, zoals ontvanger van vervuiling, kennisgenerator en veiligheid vooralsnog niet uitgewerkt. Beeldvorming van die functies kan evenwel waardevol zijn voor het
beheer. De beschrijving wordt uitgevoerd met behulp van de belangrijkste doelvariabelen (parameters) van die functies. De doelvariabelen waarvoor uitwerking is gezocht betreffen productiewaarde, toegevoegde waarde (tegen factor kosten) en werkgelegenheid (arbeidsvolume
in arbeidsjaren).
Vergelijkbaarheid in de tijd is mogelijk doordat de doelvariabelen voor de jaren 1987 tot en met 1996 zijn berekend in zowel lopende prijzen, als in constante prijzen, ofwel in prijzen 1995. Voor alle gebruiksfuncties zijn berekeningen uitgevoerd zowel op nationaal niveau als voor de regio Noordzee.
Om tegemoet te komen aan vergelijkbaarheid van gegevens is, op nationaal niveau, zoveel mogelijk uitgegaan van de nationale rekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Bij de
afleiding van de doelvariabelen op regionaal niveaus, is gebruikt gemaakt van parameters als gewonnen m3 zand, hoeveelheden aardgas en aardolie, enzovoort.
Over 1996 bedraagt, van de in beschouwing genomen gebruiksfuncties, het aandeel in het Bruto Binnenlands Produkt (BBP) 2,3 %, hetgeen neerkomt op bijna 14 miljard gulden. Hiermee worden ruim
76.000 arbeidsjaren5 aan werkgelegenheid geboden. De gezamenlijke productiewaarde ligt op bijna 30 miljard gulden. In de grafiek op de volgende bladzijde wordt weergegeven hoe het aandeel
in het BBP over de gebruiksfuncties is verdeeld.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 8 |
|
Zoekkaart kwelders en waterveiligheid Waddengebied: een verkenning naar locaties in het Waddengebied waar bestaande kwelders of kwelderontwikkeling mogelijk kunnen bijdragen aan waterveiligheid
In dit rapport wordt een ‘Zoekkaart Kwelders en Waterveiligheid Waddengebied’ gepresenteerd. Deze zoekkaart geeft een beeld van locaties in het Waddengebied waar kwelders mogelijk kunnen bijdragen aan de waterveiligheid. Dit gaat zowel om bestaande kwelders als om het stimuleren van nieuwe kweldervorming. De zoekkaart is gebaseerd op de huidige en toekomstige waterveiligheidsopgave, de abiotische randvoorwaarden en de natuurwaarden langs de Waddenkust. Het Deltaprogramma Waddengebied wil de zoekkaart gebruiken in gebiedsbijeenkomsten, waarin samen met lokale stakeholders wordt gezocht naar geschikte waterveiligheidsstrategieën in het Waddengebied. Deze strategieën richten zich naast waterveiligheid op doelstellingen voor de natuur en de ruimtelijke kwaliteit.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 9 |
|
"Ik ben wel eens bij zo’n circus geweest.” : verslag eerste participatieronde van het Deltaprogramma in het Waddengebied
Dit onderzoek analyseert voor het Deltaprogramma Waddengebied de belangen en visies van diverse lokale stakeholders op veiligheid op de eilanden en de vastelandskust. Hoewel langs de vastelandskust veiligheidsproblemen moeten worden opgelost is daar weinig maatschappelijke discussie over; er zijn veel mogelijke oplossingen zoals ruimtelijke ordeningsmaatregelen, multifunctionele dijken en aanleg/behoud van kwelders. Op Texel en Vlieland spelen potentieel heftige veiligheidsdiscussies. Op Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog is geen actueel veiligheidsissue aan de orde maar daar zijn wel issues van cultuurhistorie en vrijheid versus natuurlijke dynamiek en meegroeien met de zee om de veiligheid op de lange termijn te waarborgen. Buitendijkse gebieden met problemen zijn vooral havens, kaden, pieren en veerdammen, die nu bij hoog water al in de problemen komen. Er is echter weinig discussie over en er zijn nog geen oplossingen in beeld. De zoetwatervoorziening voor de landbouw op de vastelandskust is afhankelijk van de watervoorraad in het IJsselmeer. De drinkwatervoorziening op de eilanden is nu al een lastige taak voor de drinkwaterbedrijven. Nieuwe ideeën om aan de drinkwatervraag te voldoen zijn o.a. het zoete water gaan gebruiken dat het waterschap uitslaat naar zee, en met techniek de watervraag naar beneden brengen. Het vervolg van de participatiestrategie voor het Deltaprogramma Wadden kan uit de volgende onderdelen bestaan: Expertise betrekken, netwerk uitbouwen en transparantie en openheid bieden.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 10 |
|
Naar integraal kustzonebeleid: Beleidsagenda voor de kust
Het kabinet heeft zich voorgenomen in 2002 een beleidslijn voor de kust uit te brengen. Naar integraal kustzonebeleid zet de belangrijkste kustvraagstukken op de beleidsagenda en nodigt uit om hierover een discussie aan te gaan. Op basis van deze discussie zal het kabinet een standpunt innemen. De beleidsagenda gaat in op onderwerpen die op korte termijn spelen, en stelt daarbij het veiligheidsbeleid voorop. Toch is met name in de hoofdstukken over zwakke schakels, kustplaatsen en kustfundament ook nadrukkelijk de breedte van het kustbeleid gezocht. Verder wordt in deze beleidsagenda een volgende stap naar integraal kustzonebeleid gezet.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 11 |
|
Towards an integrated coastal zone policy: Policy agenda for the coast
Summary of the Dutch coastal zone policy for the years 2000-2001
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 12 |
|
A short review of the Dutch coast
This report about the Dutch coast was written in the context of the experimental phase of the programme CORINE of the Commission of the European Communities. The programme CORINE (COoRdination of INformation on the Environment) is a programme for the gathering, coordinating and ensuring of the environment and natural sources in the Community.
The objective of the project ' coastal erosion', as part of the CORINE-programme, is to provide a cartography and a database of the risks of coastal erosion in the Community.
This report has grown out of the objectives of the project and the activities and agreements of the working group involved. However, some parts of the contents may be interesting to a wider group.
In the text you will often find the notation NUTS followed by a number. The NUTS (Nomenclature of Territorial Units for Statistics) is an interlocking system of territorial units at three levels. The used level III is the finest one.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 13 |
|
Coastal Dune Management: A Manual of Coastal Dune Management and Rehabilitation Techniques
This manual represents a renewed effort by the Department of Land and Water Conservation to present an up-to-date document on how we can best manage our dune landscapes. It builds on the many efforts of past dune managers and offers the community practical advice on the ways we can care for the plants, animals and topographic features within the dunes of coastal NSW.
|
[PDF]
[Abstract]
|