| 1 |
|
Windrichting afhankelijke waterstand- en windsnelheidstatistiek Hoek van Holland
Voor o.a. het ontwerpen van een dijk is informatie nodig over maatgevende hoogwaterstanden en windsnelheden afhankelijk van de windrichting; zodat bv. een dijkontwerp per windrichting doorgerekend kan worden en vervolgens de totale faalkans te bepalen is. In deze nota zijn voor de windrichtingen ZW, WZW ... etc. t/m N overschrijdingslijnen bepaald voor hoogwaterstanden en windsnelheden te Hoek van Holland. Tevens is de reductie berekend die op de windsnelheid toegepast mag worden bij gekombinerd gebruik van beide soorten overschrijdingslijnen. Zonder reductie rekent men te veilig; bij een hoogwaterstand met overschrijdingsfrequentie 10^-4 behoort op het tijdstip van hoogwater geen windsnelheid met een oerschrijdings frequenties 10^4. Er is eveneens gekeken naar het te verwachten verloop van windsnelheiden -richting van 6 uur voor hoogwater tot 15 uur na hoogwater.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 2 |
|
Natuurlijke en natuurtechnische oeverbeschermingen
Voorliggende literatuurstudie geeft een overzicht van de verschillende mogelijke functies van oevers van binnenwateren en de (milieu-) factoren die een rol spelen. Vele oevers moeten worden beschermd tegen de eroderende werking van het water als gevolg van wind- en/of scheepvaartgolven en stromingen . Dit dient zo mogelijk op een landschapsecologisch inpasbare wijze te gebeuren.
Deze studie inventariseert de in binnenlands een buitenlandse literatuur beschreven toepassingen van natuurlijke en natuurtechnische oeverbeschermingen en de hiervoor te gebruiken materialen, plantesoorten en aanplantmethoden. Er worden ontwerpschema's gegeven met lijsten van aandachtspunten voor te vervullen oeverfuncties en voor (milieu-) factoren die een rol spelen. De hiaten in kennis en ervaring worden aangegeven en er worden voorstellen voor (experimenteel) onderzoek gedaan. De literatuurlijst is ingedeeld naar een aantal hoofdonderwerpen om het zoeken naar literatuur over een onderwerp te vergemakkelijken.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 3 |
|
Literatuurbestand morfologie en fysica Schelde-estuarium (periode 1930-1968)
In deze notitie wordt een literatuurbestand gepresenteerd, dat is samengesteld in het kader van het deelproject SAWES-transport. Laatst genoemde houdt zich bezig met de morfologie en fysica van de Westerschelde. Zoveel mogelijk referenties, die in dit kader van belang worden geacht, zijn in het gepresenteerde bestand opgenomen. Van alle vermelde nummers, is een exemplaar aanwezig bij DGW-Middelburg.
Het bestand is samengesteld met behulp van het zgn. REFED-literatuurpakket op de PC (Tulip). Dit pakket biedt de mogelijkheid om te zoeken op:
* auteur
* jaar
* onderwerp (volgens trefwoord)
Een volledige uitdraai van het bestand op auteurs is in deze notitie opgenomen (auteurs bestand); tevens een volledige uitdraai volgens jaren (chronologisch bestand). Een lijst van trefwoorden, welke nodig zijn voor het zoeken op onderwerp, is eveneens opgenomen.
Het bestand is niet volledig; gestreefd is echter zoveel mogelijk relevante studies op te nemen. Het ligt in de bedoeling het literatuurbestand periodiek bij te werken.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 6: Zeespiegelrijzing
Eerst worden hier de belangrijkste opgetreden veranderingen in het verleden weergegeven en is vervolgens ingegaan op de toekomstige veranderingen.
Figuur 1 geeft een beeld van de temperatuurstijging in het verleden. Over de afgelopen 100 jaar bedraagt deze ongeveer een halve graad. Het is nog niet bewezen dat deze stijging geheel of gedeeltelijk te wijten is aan het broeikaseffect; wel is dit aannemelijk. Tevens staat in deze figuur de verwachte temperatuurstijging gegeven tot 2090 met onder en bovengrens.
In figuur 2 staat voor een aantal stations met zeer lange reeksen de gefilterde gemiddelde zeespiegel weergegeven over de afgelopen periode. Hierbij valt op (zie Amsterdam en Brest), dat er zich een knik voordoet tussen 1850 en 1900 en dat de relatieve zeespiegelrijzing voor deze knik minder of zelfs nul is geweest.
Een verklaring hiervoor is niet te geven, wel is duidelijk , dat dit nog niet veroorzaakt kan zijn door het broeikaseffect; daarvoor ligt de knik te vroeg. Geconcludeerd mag worden (dit volgt ook uit geologisch onderzoek), dater zich in het verleden fluctuaties hebben voorgedaan in de relatieve zeespiegel en dat deze ook in de toekomst denkbaar zijn (ook zonder broeikaseffect). Wat betreft de toekomstige veranderingen moeten we aannemen, dat deze heel wat groter kunnen zijn dan die, welke zijn opgetreden in het nabije verleden. Dit is grotendeels te wijten aan het menselijke handelen, waardoor ecologie en klimaat aangetast worden. Voor het klimaat is vooral de uitstoot van C02 en andere sporengassen zoals N20, CH4' 03 en de CFK's van belang. Deze gassen veroorzaken een versterking van het zgn. broeikaseffect . De kwantitatieve uitspraken over de te verwachten gemiddelde temperatuurstijging lopen nogal uiteen nl. tussen de 1,5 en de 4,5 graden stijging voor de komende eeuw, met als verwachtingswaarde een gemiddelde stijging van 3 graden. Door deze temperatuurstijging zullen ook het klimaat en daaraan gerelateerde grootheden veranderen (zoals depressiebanen en stormfrequenties).
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 5 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 8: duinfuncties
Het rapport verschaft een onderbouwing voor de beleidsanalyse voor wat betreft de invloed op duinfuncties van effecten die het gevolg zijn van kustachteruitgang. In het rapport ligt de nadruk op de functie natuur. Op grond van beoordelingscriteria zijn natuurklassen opgesteld die in de beleidsanalyse zijn gehanteerd bij de berekening van verliezen aan de functie natuur. Aan de hand van de berekende verliezen bij een voorspeld kustgedrag worden suggesties gegeven voor een natuurvriendelijk kustbeleid.
Er is uitgegaan van een beleidsalternatief, kustlijn retireren met behoud van veiligheid, en van een scenario met 20cm zeespiegelrijzing en ongunstig morfologisch procesgedrag. Voor de voorspelling van de kustontwikkeling tot 2090 is uitgegaan van de gegevens d.d. 04 -01-1989. Dit zijn niet de uiteindelijke derde fase voorspellingen: door de tijdsdruk konden deze niet meer worden verwerkt.
Om een berekening te kunnen maken van de gevolgen van kustachteruitgang voor duinfuncties is een inventarisatie uitgevoerd met behulp van een geografisch informatiesysteem. De functieinformatie is verkregen van bestaande kaarten (schaal 1:25000). Deze zijn verrasterd tot zogenaamde basiskaarten en vervolgens in het geografisch informatiesysteem opgeslagen (zie TECHNISCH RAPPORT 4 "Duinfuncties: inventarisatie"). De basiskaarten bevatten informatie over de niet-natuurfuncties en over de natuurkenmerken geomorfologie en grondwater (abiotiek) en vegetatie (biotiek). Ze zijn verwerkt tot afgeleide kaarten. De gegevens uit het geografisch informatiesysteem zijn tevens gebruikt in het systeemanalytisch model voor de beleidsanalyse.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 6 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 9: Inventarisatie functies onderwateroever
De onderwateroever vormt de basis van onze kust. Ontwikkelingen op de onderwateroever zijn direct en indirect van invloed op de kustlijnligging en daarmee op de kustverdediging.
De onderwateroever ( binnen de context van technisch rapport 9 gedefinieerd als het zeegebied tussen de laagwaterlijn en ca. de NAP-20 m dieptelijn, met een roaxiroale breedte van 20 km ) heeft echter ook betekenis voor andere functies. De toegepaste kustverdedigingsstrategie en de overige functies van de onderwateroever hebben in meer of mindere mate een invloed op elkaar.
Om de wederzijdse beinvloeding van functies mee te kunnen wegen in een beleidsanalyse voor de kustverdediging, is een integrale belangenafweging vereist.
Een afweging in deze vorm, van aIle op de onderwateroever voorkomende belangen wordt in Nederland voor het eerst uitgevoerd in het kader van de voorbereiding van de 3e Nota Waterhuishouding en het op te stellen Integraal Beleidsplan Voordelta. De resultaten van de methodiekontwikkeling en de analyses binnen deze projecten zijn in het voorjaar 1989 nog niet beschikbaar. Met het oog op de complexiteit van de vereiste analyses en gelet op de beschikbare tijd, is besloten bij de beleidsanalyse in het kader van de Nota Kustverdediging, de verschillende belangen van de onderwateroever vooralsnog niet mee te nemen. Een integrale belangenafweging wordt echter bij het actualiseren van het kustverdedigingsbeleid in de toekomst wel degelijk wenselijk geacht.
Als eerste onderbouwing van deze visie wordt in Technisch Rapport 9 een inventarisatie gegeven van:
( - ) de betekenis van de onderwateroever voor de verschillende functies;
en
(-) de wisselwerking tussen deze functies en de kustverdediging.
De interactie tussen de verschillende functies van de onderwateroever onderling, is hierbij buiten beschouwing gebleven. Een inschatting van het relatieve belang van de beschreven relaties is dan ook slechts gedeeltelijk mogelijk. De plaats van de onderwateroever in de diverse overheidsnota's over het ruimtelijk beleid, wordt kort belicht.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 7 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 14: Onderwateroeversuppleties
De laatste decennia heeft in Nederland een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de aanpak van kusterosieproblemen. Waar men vroeger gewend was met harde constructies, zoals strandhoofden, strandmuren, dijken en duinvoetverdedigingen de problemen te bestrijden of althans te vertragen, gaat men tegenwoordig steeds meer over tot 'zachte', flexibele verdedigingsmethoden, zoals strand- en duinsuppleties. Enerzijds is dit te danken aan de ontwikkeling van de baggertechnologie, waardoor deze methoden haalbaar zijn geworden; anderzijds heeft ook een verandering van de onderhoudsfilosofie tot deze ontwikkeling geleid.
De eerstgenoemde methoden zijn passief; ze vertragen of verplaatsen slechts het probleem. Bij de laatste methoden wordt aktief ingegrepen in het kustsysteem. Onderkend wordt, dat de oorzaak van de kusterosie
ligt in een geleidelijk verlies van zand uit de kustzone; dit verlies wordt gecompenseerd door een kustvak op gezette tijden aan te vullen. Deze methode is flexibel en hoeft niet tot een verlies aan waardevolle
functies in het kustgebied te leiden. Door uitvoerings-technische problemen is de prijs per kubieke meter echter nog aan de hoge kant. Meer recentelijk is het begrip gegroeid, dat de onderwateroever een belangrijke rol vervult in het kustsysteem, en dat voortgaande erosie ervan, met enige vertraging, tot kusterosie en verhoogde duinafslag kan leiden. Andersom geldt ook, dat een aangroeiende onderwateroever tot een gunstiger kustgedrag aanleiding geeft. Het is dan ook zinvol, te bezien of kunstmatige voeding van de onderwateroever door onderwateroeversuppleties een (gedeeltelijk) alternatief voor strandsuppleties kan inhouden.
Het is aannemelijk, dat het rendement van onderwateroeversuppleties, uitgedrukt in zandhoeveelheden, door grotere verliezen naar dieper water geringer zal zijn dan dat van strandsuppleties. Doordat de uitvoering veel eenvoudiger is, is het echter goed mogelijk dat de totale onderhoudskosten bij toepassing van onderwateroeversuppleties lager liggen dan bij strandsuppleties.
Om deze afweg ing te kunnen maken, is in deze studie de effectiviteit van verschillenden vormen van onderwateroeversuppleties onderzocht in termen van zandhoeveelheden; de kostenafweging valt buiten het kader van de opdracht.
In het buitenland zijn in het verleden enige experimenten uitgevoerd met suppleties op de onderwateroever. In het algemeen vonden deze plaats op betrekkelijk diep water. De ervaringen zijn niet erg gunstig; in deze studie is de aandacht dan ook voornamelijk gericht op suppleties in de zogenaamde 'aktieve zone', ruwweg tussen de waterlijn en de 8 m dieptelijn.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 8 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 16: Harde kustverdediging
In Technisch Rapport 16 wordt een studie verricht naar de gedeelten van de kustverdedigingsstrook, die hoofdzakelijk worden gevormd door een harde kustverdediging: zeedijken, havengebieden en strandmuren. In de studie wordt nagegaan, welke (vooral financiele) consequenties zijn verbonden aan het handhaven van de Deltaveiligheid voor deze verdedigingen. Tevens wordt onderzocht of het verantwoord is de waterkering tot elke prijs in het huidige trace te handhaven.
Ten behoeve van de studie zijn een aantal uitgangspunten gedefinieerd. Daarnaast is vastgesteld, welke onderdelen van de kustverdedigingsstrook behoren tot de categorie zeedijken, havengebieden en strandmuren.
Van de te beoordelen onderdelen zijn gegevens verzameld over het huidige ontwerp en de ligging van de onderwateroever. Tevens is een inschatting gemaakt van de te verwachten morfologische ontwikkelingen bij de verschillende scenario's.
Op basis van richtlijnen en ontwerpregels is bepaald, welke ontwerpparameters, door wijzigingen in de ligging van de onderwateroever en door veranderende hydro-meteo-condities, worden beinvloed. Vervolgens is van deze parameters de invloed op de kustverdedigingsconstructie nagegaan. Uiteindelijk zijn de consequenties vertaald in kosten.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 9 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 18: Berekeningsresultaten beleidsalternatieven
Vanuit een beschrijving van beleidsanalyse in algemene zin en de gebruikelijke terminologie en definiering ervan, wordt toegewerkt naar een specificatie van de voor de discussienota 'Kustverdediging na 1990'
gehanteerde beleidsanalytische aanpak. Hierin wordt de doelstelling van de studie uitgewerkt, wordt de uitgangssituatie gespecificeerd en worden de randvoorwaarden beschreven.
De gewenste ontwikkelingen ten aanzien van de kustverdediging en de relatie met de maatschappelijke funkties in het kustgebied worden vastgelegd in strategieen. Wanneer ook de maatregelen die deze strategieen konkreet maken worden ingevuld leidt dit tot (beleids) alternatieven.
Tevens wordt aangegeven welke ontwikkelingen de inspanningen die voor de kustverdediging de komende decennia nodig zijn, in hoofdzaak bepalen. Deze worden uitgedrukt in scenario's en betreffen vooral de hydrometeorologische randvoorwaarden (zeespiegel, klimaat) en de morfologische ontwikkelingen (gemiddeld, ongunstig).
Tot slot worden de criteria beschreven op basis waarvan de ontwikkelingen bij diverse beleidskeuzes kunnen worden vergeleken. Het betreft kosten, verliezen aan duinareaal, e.d.
Ten behoeve van de integrale analyse is het systeemanalytische model KUSTBEL (TR-17 ) ontwikkeld waarmee op relatief eenvoudige wijze voor de verschillende beleidsalternatieven de resulterende kustontwikkeling en de effecten daarvan op veiligheid en functies kunnen worden geanalyseerd en vergeleken.
De feitelijke uitvoering van de beleidsanalyse richt zich op de analyse van beleidsalternatieven aan de hand van concrete rekengevallen, die in KUSTBEL worden ingevoerd (uitgezonderd de strategie Zeewaarts).
Als onderdeel van de analyse is tevens een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd om de invloed te kunnen inschatten van de onzekerheden die samenhangen met de beschikbare kennis en informatie.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 10 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 20: Zeewaartse kustverdediging
| report |
1990-01-01
|
| Author: |
Pluijm, M.
|
|
Contributor:
|
Roelse, P. · Van Driel, G.B. · De Haan, T. · Verhagen, H.J. · Veenbaas, G. · Alberts, W. · Beaufort, G.A. · Wildeboer, T. · Van der Plas, R. · Rakhorst, H.D. · Van Overeem, J. · De Vriend, H.J.
|
| Keywords: |
kustverdediging · kustnota · landaanwinning · strandsuppletie
|
Op verzoek van de hoofddirectie van de Rijkswaterstaat en onder verantwoordelijkheid van de Dienst Getijdewateren is de "nota Kustverdediging" opgesteld. Deze nota moet de basis vormen voor het te voeren Rijks-beleid inzake de kustverdediging.
Gaandeweg de werkzaamheden zijn een drietal beleids-alternatieven ontwikkeld. Elk van deze alternatieven is gebaseerd op het al dan niet (geheel) compenseren van landwaartse verplaatsingen van de kust.
Een vierde, meer in de volksaard liggend alternatief, te weten het zeewaarts verdedigen van de kust, kreeg aanvankelijk de minste aandacht. Reden hiervoor was met name de verwachting dat dit soort oplossingen dermate duur zouden worden, dat de kosten nooit konden opwegen tegen de belangen.
Echter, toen de nota kustverdediging z' n voltooing naderde en er een schat aan nieuwe kennis en gegevens beschikbaar kwam, werd het toch wenselijk geacht alsnog een degelijk zeewaarts alternatief nader te concretiseren.
Reden dan ook voor de hoofddirectie om aan de Dienst Getijdewateren te vragen alsnog de mogelijkheden en consequenties hiervan te onderzoeken.
Gezien de hiervoor beschikbare tijd ligt het abstractieniveau waarop e.e.a. uitgewerkt is hoger dan bij de overige Technische Rapporten voor de discussienota "Kustverdediging".
Het hierbij gehanteerde uitgangspunt is uiteraard hetzelfde als dat van de "Nota Kustverdediging", te weten de handhaving van de veiligheid tegen overstroming door de zee. Kustverdediging staat dus centraal. Dit zeewaarts alternatief is dan ook primair gericht op die delen van de kust die zo sterk aan erosie onderhevig zijn dat zelfs bij een kustachteruitgang van slechts een tiental meters de Deltaveiligheid al in gevaar komt.
Dit zeewaarts alternatief onderscheidt zich dan ook duidelijk van de bestaande kustuitbreidingsplannen zoals "Waterman", omdat die juist daar gesitueerd zijn waar van nature aanzanding optreedt of de onderhouds -inspanning minimaal is. Bij het zeewaarts alternatief is een eventuele landwinst dus bij-product.
Het zeewaartse alternatief komt er derhalve op neer, dat:
* kustachteruitgang, net als bij "handhaven", nergens wordt toegestaan.
* anders dan bij de drie overige alternatieven hier een meer actiegerichte vorm van kustverdediging wordt nagestreefd.
* door middel van initiele ingrepen en de respons hierop van het natuurlijk morfologisch systeem, verlegging van de kustlijn in zeewaartse richting wordt bewerkstelligd.Als resultaat van de uitgevoerde studie kan het volgende worden geconcludeerd er kunnen zondermeer een aantal aan erosie onderhevige locaties langs de Nederlandse kust worden aangewezen, waar toepassing van een zeewaarts alternatief tot de mogelijkheden behoort.
- er bestaat geen algemeen toepasbare "zeewaartse" maatregel. De verschillen in morfologische systemen op de respectievelijke probleem-locaties zijn daarvoor te groot.
- aan de hand van een brainstorm-sessie zijn voor de verschillende probleem-locaties oplossings-mogelijkheden geschetst.
De meest kansrijke staan weergegeven in onderstaande tabel.
Vermeld zijn het doel van de ingreep, de wijze waarop getracht wordt dit effect te bereiken en de mate waarin verwacht wordt dat dit ook daadwerkelijk kan/zal lukken.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 11 |
|
Typering nederlandse kustdwarsprofielen ten behoeve van duinafslaganalyses
|
[PDF]
|
| 12 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 3: Kustonderhoud
Naast een beschrijving van beheersfilosofieen wat betreft kustonderhoud komen de beheersmaatregelen en de kosten die het basisonderhoud met zich mee brengt aan de orde. Onder de basisonderhoudskosten worden verstaan de gemiddelde jaarlijkse kosten van gewoon (jaarlijks) en buitengewoon (meerjaarlijks)
onderhoud, inclusief B.T.W. en technische overhead, exclusief de kosten van zandsuppleties. In Technisch Rapport 11 komen de zandsuppieties en de daaraan verbonden kosten aan de orde.
In Technisch Rapport 3 wordt tevens onderzocht of er een relatie bestaat tussen de basisonderhoudskosten van de duinenkust en het al dan niet voorkomen van constructies ten behoeve van kustverdediging zoals strandhoofden of paalrijen de mate van erosie. Het onderzoeken van deze relaties is van belang indien men een schatting wil maken van de basisonderhoudskosten in de toekomst.
In een studie in opdracht van de Unie van Waterschappen en Rijkswaterstaat is het kustonderhoud uitgebreid geïnventariseerd. Technisch Rapport 3 is gebaseerd op een nadere analyse van deze inventarisatie .
De 353 kilometer lange zandige Noordzeekust is ten behoeve van de bepaling van de basisonderhoudskosten onderverdeeld in 82 eenheden met een lengte tussen de 1 en 16 kilometer. Deze eenheden zijn het laagste niveau waarop de kustbeheerders in de bovengenoemde inventarisatie van
het onder houd de beheersmaatregelen gespecificeerd hebben. Binnen deze eenheden wordt de verdeling van de kosten homogeen verondersteld. De kosten zijn geïnventariseerd over de periode 1975 - 1984 en er wordt verondersteld dat een schatting van de basisonderhoudskosten op dit moment hierop kan worden gebaseerd. Het prijspeil van de basisonderhoudskosten is 1984.
Voor de duinenkust, welke 47 van de 82 eenheden omvat, is per eenheid onderzocht wat de initiele erosie en de aard van de verdediging is. Onder initiele erosie wordt verstaan de gemiddelde jaarlijkse erosie of sedimentatie van de duinvoet in de periode 1964-1 984 . De aard van de verdediging kan zijn: onverdedigde duinen, duinen verdedigd met strandhoofden , duinen verdedigd met ( alleen ) paalrijen. Bij verschillende verdedigingstypen per eenheid, is de meest voorkomende als kenmerkend beschouwd.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 13 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 4: Inventarisatie duinfuncties
De kustverdedigingsstrook herbergt een groot aantal functies die in het proces van dynamisch kustbeheer een rol van betekenis spelen. Door kustgedrag en verdedigingsmaatregelen kunnen functies en belangen in het duingebied in het gedrang komen. De mate waarin dit in de toekomst kan gebeuren, wordt in het kader van de discussienota Kustverdediging onderzocht. Om dit te bepalen, is een inventarisatie gemaakt van ruimtebeslag en de waarde van de functies in het duingebied anno 1990. Voor verschillende scenario's van toekomstige kustlijnligging wordt hiermee in een beleidsanalyse bepaald, hoe groot het verlies aan functies zal zijn. Voor deze beleidsanalyse is een computermodel ontwikkeld, waarin de geinventariseerde gegevens verwerkt worden.
Deze inventarisatie wil een beeld geven van de belangen die in het duingebied spelen en derhalve betrokken zijn bij het kustverdedigingsbeleid. Het doel is niet een afweging van belangen onderling.
In dit Technische Rapport 4 wordt de geografische en beleidsmatige inventarisatie beschreven. Deze functie-inventarisatie beperkt zich in hoofdzaak tot het duingebied.
In Technisch Rapport 8 wordt ingegaan op de waarde van de functies en het effect van kustlijnveranderingen erop. Van de functies op het strand (hoofdzakelijk strandrecreatie) wordt aangenomen dat deze als het ware met de kustlijnverplaatsing meeschuiven. In de vier opstellingen voor kustverdedigingsbeleid zullen zij geen significante onderscheidende parameter zijn. Daarom zijn zij in de inventarisatie niet verder verwerkt.
Aan de functies van de onderwateroever wordt in Technisch Rapport 9 een beschouwing gewijd.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 14 |
|
Analyse van deltagootproeven en classificatie van Oosterscheldedijken t.a.v. geconcentreerde golfaanval
Ten behoeve van een optimale keuze van een beheersstrategie voor de stormvloedkering is het nodig inzicht te hebben in het faalgedrag van glooiingen langs de Oosterscheldedijken. Hieroe zijn o.a. proeven gedaan in de Deltagoot van het WL. Deze nota analyseert de proefresultaten en vertaalt e.e.a. naar de aanwezige glooiingen langs de Oosterschelde. Geconstateerd wordt dat een groot aantal glooiingen wel en een klein aantal niet bestand zijn tegen de golfaanval bij een stagnant binnenpeil.
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 15 |
|
Mondingsgebied van de Westerschelde: getijstromingen, golfklimaatgegevens, bodemligging en morfologische processen
Deze nota heeft als studielolcatie het mondingsgebied van de Westerschelde. Van dit gebied is een beschrijving opgesteld van stromingen onder invloed van het getij. Ook zijn de beschikbare golfklimaatgegevens geïnventariseerd en ten dele geanalyseerd.
Verder bestaat deze nota uit een beschrijving van de bodemligging en van de natuurlijke morfologische processen van de laatste decennia in het studiegebied.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 16 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 13: Grote civiele werken
De grote civiele werken langs de Nederlandse kust zijn onder te verdelen in een viertal categorien, deze worden per categorie in dit rapport besproken. Ten aanzien van de havendammen van IJmuiden,, Scheveningen en Hoek van Holland kan geconstateerd worden dat deze het brandingsstroomtransport "lokaal" beïnvloeden. "Lokaal" is in dit verband aan weerszijden ruim vijf maal de lengte van de havendammen. Hierdoor treedt er direct naast de havendammen aanzanding op, en enkele kilometers verderop enige extra erosie. De erosiepunten schuiven langzaam van de havendammen weg, de mate van de erosie neemt daarbij af. De maximaal waargenomen erosie is 10 % van de lengte van de havendam, in sommige gevallen minder. Deze invloed is met name waarneembaar bij IJmuiden, in veel mindere mate bij Scheveningen en Hoek van Holland. Invloed op de langjarige kusterosie van grote kustvakken Is niet aantoonbaar. Ten aanzien van zeedijken en boulevards wordt geconstateerd dat zij slechts een zeer beperkte Invloed hebben op het grootschalig kustgedrag. Wel is er invloed op de morfologie van het kustgebied voor de zeedijk, met name op de ligging van getijgeulen. Bij zeedijken die opdringende getij geulen tegen houden, treedt aan de. teen van de dijk aanzienlijke verdieping op. Dit maakt bestortingswerken noodzakelijk. Bij de Pettemer en Hondsbossche Zeewering wordt geconstateerd dat de doorgaande kusterosie aan weerszijden van de dijk nauwelijks beïnvloed wordt. Deze erosie gaat in het normale tempo door, waardoor de dijk momenteel als een bolwerk in zee ligt. Bij de Westkappelse Zeedijk wordt geconstateerd dat door de beteügelingswerken aan weerszijden de getijgeul goed gefixeerd is,. Wel treedt aan beide zijden lij erosie van het strand op. Dit is het gevolg van de golfinval, die hier hoofdzakelijk uit een enkele richting komt. Met name aan de zuidzijde van de Westkappelse Zeedijk is daardoor bij voortduring suppletie nodig (of een compleet vastleggen van de kust door de dijk naar het zuiden uit te bouwen). Voor de duinvoetverdediging van Zoutelande geldt hetzelfde. Dit verschijnsel is in mindere mate ook waarneembaar bij de Helderse Zeewering en nauwelijks nog bij het Bolwerk Eijerlandop Texel. Bij het in Zeeuws-Vlaanderen aanwezige stelsel van dijken en duinen blijkt dat de dijken hier als bolwerken optreden, en samen met de aanwezige strandhoöfden de getij geulen, uit de kust houden (bijv.
Nieuwe Sluis) . Doordat de harde bekleding duinafslag onmogelijk maakt is het kustprofiel hier vrij steil gaan staan. Dit heeft geresulteerd in lage, smalle (en daardoor, moeilijk te suppleren) stranden. Bij de boulevards van Scheveningen, Noordwijk en Katwijk is geen invloed op het kustgedrag waarneembaar. In al deze gevallen speelt ook dat de geologie van de wat diepere lagen een grote invloed heeft op het kustgedrag. Ten aanzien van de Deltawerken moet geconstateerd worden dat deze een zeer grote invloed hebben op de morfologie van de voordelta, doch dat de invloed op de kust zelf tot op heden nog vrij marginaal is. Een enkele oprukkende getij geul is afgedamd, en veroorzaakt daardoor geen erosie meer (invloed Brouwershavense Gat op het Noorderstrand Schouwen).
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 17 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 15: Monitoring kustgedrag
In 1990 is de sterkte van het systeem van waterkeringen van ons land tegen de bedreiging door de zee op zgn. delta-veilig niveau gebracht. Deze veiligheid zal echter onder druk komen te staan door de huidige morfologische ontwikkelingen van onze kust, waarbij zeespiegelrijzing een belangrijke rol speelt. Om het verkregen veiligheidsniveau te kunnen handhaven en het kustgedrag beter te leren begrijpen en te voorspellen, is het noodzakelijk ons kustsysteem en de factoren die het beïnvloeden nauwlettend in de gaten te houden. Doel van deze studie is na te gaan hoe we dat in het licht van de huidige kennis het beste kunnen doen. Het huidige meetprogramma wordt daartoe beschreven en geevalueerd. Waar nodig worden aanpassingen voorgesteld. Tevens wordt een blik op de verdere toekomst geworpen in het hoofdstuk over remote sensing technieken.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 18 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 17: Systeemanalytisch model
Het doel van de discussienota 'Kustverdediging na 1990' is het voorbereiden van beleidskeuzen met betrekking tot de landelijke aanpak van de kustverdediging. Een groot aantal afwegingen en keuzen speelt hierbij een rol. Het is noodzakelijk het gehele scala aan mogelijkheden te vertalen in een aantal goed gedefinieerde beleidsalternatieven. Deze moeten systematisch worden onderzocht om tot een vergelijkende beoordeling te kunnen komen. Gekozen is voor de ontwikkeling van een systeemanalytisch model waarmee beleidsalternatieven doorgerekend kunnen worden. Dit model heet KUSTBEL.
Het systeemanalytische model maakt het mogelijk een analyse van het kustsysteem uit te voeren. Hierbij wordt een voorspelde kustontwlkkeling getoetst aan maatschappelijke eisen die zijn gespecificeerd in de te onderzoeken beleidsalternatieven. Het model voert de berekeningen uit en bepaalt de gevolgen van een beleidsalternatief in termen van kosten en baten.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 19 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch rapport 19: Innovatie van kustverdediging
Het onderzoek van kustprocessen in het algemeen, alsmede de recente studie van de Nederlandse kust in het kader van de Nota Kustverdediging, hebben tal van nieuwe inzichten opgeleverd in de werking van de zandige Nederlandse kust als morfologisch systeem. In dit rapport worden de verkregen resultaten geintegreerd tot een samenhangend beeld van de werking van dat systeem en de respons ervan op menselijke ingrepen en veranderende exogene condities. Dit beeld wordt vervolgens gebruikt om te komen tot het doel van de studie, een coherente visie op de te volgen taktiek bij de verdediging van de kust via "zachte" (d.w.z. in zand uitgevoerde) maatregelen en op de gevolgen van een langdurig volgehouden beleid ten aanzien van supple ties en zandwinning. De studie bestaat uit twee de len, aan te duiden als "integrerend" en "genererend". In het integrerende deel wordt bestaande kennis bijeengebracht in een systeembeschrijving, d.w.z. in termen van toestandsbeschrijvingen en overdrachtsrelaties voor een stelsel van ruimtelijke elementen dat samen de Nederlandse kust vormt. Naast dit groo ts chal ige s te lsel, dat vooral de langere termijn (dus voornamelijk "natuurlijke") ontwikkelingen beschrijft, wordt voor de Hollandse kust een kleinschaliger systeem ontwikkeld, dat in staat is de respons op menselijke ingrepen, zoals zandwinningen of suppleties, weer te geven. Beide systemen maken gebruik van bestaande kennis en werken daardoor, behalve integrerend, ook inventariserend: ze geven een beeld van wat er "bekend" is van het systeem en waar de kennis nog lacunes vertoont. In het genererende deel van de studie worden de systemen, als denkmodel of zelfs al in een operationele vorm (als computerprogramma), gebruikt om te komen tot een coherente visie op kustverdediging met "zachte" middelen. Dit betreft zowel kustverdedigingstaktieken ("hoe kunnen we een bedreigd stuk kust het best verdedigen?") als de gevolgen van langdurig volgehouden beleid t.a. v. aktieve (suppleties) en passieve (geen zandwinning) verdediging.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 20 |
|
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Projectplan, bijlagen
Uitvoeringsplan met achtergronden van het Kustnota project.
|
[PDF]
[Abstract]
|