| 1 |
|
Beleidsnota IJsselmeergebied
De beleidsnota start met een beschrijving van het gebied, zodat de reikwijdte helder is. De vier pijlers onder het beleid uit deze nota worden daarin beschreven. Het gaat daarbij om (water-)veiligheid, zoetwatervoorziening, ecologie en ruimtelijke inrichting.
In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de uitgangspunten en het relevante bestaande beleid, dat naast het nieuwe beleid blijft bestaan.
Het wervend perspectief, het streefbeeld voor het IJsselmeergebied, wordt in hoofdstuk 3 beschreven. Daarna zal per inhoudelijke pijler beschreven worden wat nu precies het beleidsprobleem is, voor welke oplossing gekozen wordt en hoe deze keuze tot stand gekomen is. Het rapport eindigt met een uitvoerings-agenda
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 2 |
|
Beleidsnota Noordze
Deze bijlage volgt de opbouw van paragraaf 5.6 Noordzee van het Nationaal Waterplan. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van het veranderend gebruik van de Noordzee, de nieuwe maatschappelijke vraagstukken en de ontwikkelingen in beleid die hiermee samenhangen. Hieruit volgen de maatschappelijke ontwikkelopgaven die de uitgangspunten vormen voor herijking van het Noordzeebeleid.
In hoofdstuk 3 geeft een overzicht van de doorvertaling van de maatschappelijke ontwikkelopgaven
naar streefbeelden en beleidskeuzen voor het Noordzeebeleid.
In de hoofdstukken 4, 5 en 6 worden de beleidskeuzen in de planperiode 2009-2015 waar nodig nader toegelicht en uitgewerkt.
Hoofdstuk 7 beschrijft het afwegingskader voor activiteiten op de Noordzee. Hoofdstuk 8 omvat het totaaloverzicht van de realisatieagenda 2009-2015 en de financiering.
De bijlagen geven een overzicht van bij de totstandkoming van het Noordzeebeleid gehanteerde onderzoeksrapporten, studies, literatuur en verslagen van bijeenkomsten, en een overzicht van coördinaten van de in de structuurvisiekaart aangeduide aan te wijzen gebieden.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 3 |
|
Stroomgebiedbeheerplan Eems
De Kaderrichtlijn Water heeft tot doel de oppervlaktewateren - waaronder ook overgangswater en kustwater - en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen.
De doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water moeten op 22 december 2015 zijn bereikt. Deze termijn kan onder bepaalde voorwaarden worden verlengd met maximaal twee periodes van zes jaar. De uiterste datum komt daarmee op 2027.
De Kaderrichtlijn Water geeft voor alle landen in de Europese Unie een kader voor de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en van de kwantiteit van het grondwater. De richtlijn moedigt alle belanghebbenden aan om actief deel te nemen aan activiteiten om in ieders belang een goede waterkwaliteit te realiseren.
Het voorliggende stroomgebiedbeheerplan Eems geeft onder andere een beschrijving van dit
stroomgebied, de doelen voor de oppervlakte- en grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden.
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
Stroomgebiedbeheerplan Maas
De Kaderrichtlijn Water heeft tot doel de oppervlaktewateren –waaronder ook overgangswater en kustwater- en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen.
De doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water moeten op 22 december 2015 zijn bereikt. Deze termijn kan onder bepaalde voorwaarden worden verlengd met maximaal twee periodes van zes jaar. De uiterste datum komt daarmee op 2027.
De Kaderrichtlijn Water geeft voor alle landen in de Europese Unie een kader voor de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en van de kwantiteit van het grondwater. De richtlijn moedigt alle belanghebbenden aan om actief deel te nemen aan activiteiten
om in ieders belang een goede waterkwaliteit te realiseren.
Het voorliggende stroomgebiedbeheerplan Maas geeft onder andere een beschrijving van dit stroomgebied, de doelen voor de oppervlakte- en grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden.
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 5 |
|
Stroomgebiedbeheerplan Rijndelta
De Kaderrichtlijn Water heeft tot doel de oppervlaktewateren - waaronder ook overgangswater en kustwater - en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen.
De doelstellingen van de KRW moeten op 22 december 2015 zijn bereikt. Deze termijn kan onder bepaalde voorwaarden worden verlengd met maximaal twee periodes van zes jaar. De uiterste datum komt daarmee op 2027.
De Kaderrichtlijn Water geeft voor alle landen in de Europese Unie een kader voor de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en van de kwantiteit van het grondwater. De richtlijn moedigt alle belanghebbenden aan om actief deel te nemen aan activiteiten
om in ieders belang een goede waterkwaliteit te realiseren.
Het stroomgebied Rijndelta omvat het gehele Nederlandse stroomgebied van de Rijn alsmede een klein deel van het Duitse oppervlak van het internationale stroomgebieddistrict Rijn. Het onderhavige plan betreft het Nederlandse deel van het stroomgebied Rijndelta met daarin onder meer een beschrijving van dit deel van het stroomgebied, de doelen voor de oppervlakteen grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden.
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 6 |
|
National Water Plan
In the last decade, the Fourth National Policy Document on Water Management (Vierde Nota waterhuishouding), the Water Management in the 21st Century Advisory Committee (Commissie
Waterbeheer 21e eeuw) and the National Administrative Agreement on Water (Nationaal Bestuursakkoord Water) represented an important impulse for water management. With this first National Water Plan, which is also a framework vision based on the Water Act (Waterwet) and the Spatial Planning Act (Wet ruimtelijke ordening) and which was drafted for the 2009-2015 planning period, we are entering a new phase. Because we want future generations to be able to enjoy the Netherlands as a safe and affluent land of water, we have to find answers now to developments in climate, demography and economy, and invest in sustainable water management. Effective flood
defences, the prevention of flooding and waterlogging and drought wherever possible, and good water
quality are basic preconditions for prosperity and well-being. These are achievements that the Netherlands owes, in large measure, to water, to its favourable location and to the excellent supply of
freshwater. The Netherlands, an attractive country with an abundance of water and high levels of safety, contributes positively towards the quality of the living environment and the conservation of biodiversity. Water is wonderful and the Dutch love it. The aim is crystal clear: the Netherlands, a safe and liveable delta, now and in the future. In this context, a draft Delta Act was formulated in
2009, which regulates the legal basis of the Delta Programme as well as the tasks and powers of the
Delta Commissioner (Deltacommissaris) and the Delta Committee. The Delta Commissioner was appointed in 2009. The National Water Plan presents an initial elaboration of the Delta Programme. The aim of the Delta Programme is to achieve sustainable water safety and a sustainable freshwater supply by means of an efficient, resolute and comprehensive approach to the major water tasks the Netherlands will be facing in the coming decades. A start has been made on the organisational structure for the concrete development and elaboration of the programme in nine sub-programmes. These are the generic programmes Water Safety, Freshwater Supply and New Construction and Reorganisation, and the area-based sub-programmes Coast, Wadden Area, southwest Delta, the Rijnmond and Drechtsteden region, the Rivers, and the IJsselmeer area.
Expenditure for the Delta Programme has not been included in the National Water Plan and will be
worked out in the planning period. Comprising fixed, stable and substantial funding amounting to at least one billion euros annually from 2020 onward, the Delta Fund will enable the forceful implementation of the Delta Programme.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 7 |
|
Nationaal waterplan
Beleidspland voor het waterbeheer in volledige breedte voor de jaren 2009-2015. Uitwerking van de voorstellen van de 2e Deltacommissie (Cie Veerman). Watervisie en hoofdlijnen waterveiligheidsbeleid. Ruimtelijke aspekten van water, duurzame watervoorziening voor Nederland. Uitwerking in Stroomgebiedbeheerplannen (deze zijn als afzonderlijke documenten uitgewerkt).
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 8 |
|
Beleidsnota waterveiligheid
Nota beleid ten aanzien van de bescherming van Nederland tegen overstromen; benodigde sterkte van dijken en waterkeringen (inclusief de zandige duinen kust). Algemeen veiligheidsbeleid. Kans op overstromingen. Noodmaatregelen, rampenbeheersing
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 9 |
|
Stroomgebiedbeheerplan Schelde 2009-2015
De Kaderrichtlijn Water heeft tot doel de oppervlaktewateren - waaronder ook overgangswater en kustwater - en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het
duurzaam gebruik van water te bevorderen.
De doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water moeten op 22 december 2015 zijn bereikt.
Deze termijn kan onder bepaalde voorwaarden worden verlengd met maximaal twee periodes van zes jaar. De uiterste datum komt daarmee op 2027.
De Kaderrichtlijn Water geeft voor alle landen in de Europese Unie een kader voor de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en van de kwantiteit van het grondwater.
De richtlijn moedigt alle belanghebbenden aan om actief deel te nemen aan activiteiten om in ieders belang een goede waterkwaliteit te realiseren.
Het voorliggende stroomgebiedbeheerplan Schelde geeft onder andere een beschrijving van dit
stroomgebied, de doelen voor de oppervlakte- en grondwaterlichamen en een samenvatting
van de maatregelen die genomen gaan worden.
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 10 |
|
Dijkgraverij en het herstel van schade: Muskusrattenbestrijding en veiligheid van het watersysteembeheer
De Inspectie Verkeer & Waterstaat, Domein Waterbeheer (hierna: de inspectie) heeft een onderzoek uitgevoerd naar de bijdrage van de provinciale muskusrattenbestrijding aan de veiligheid van het watersysteembeheer, naar aanleiding van haar risicoanalyse uit 2009 en signalen uit de media in de zomer van 2010 (zie bijlage B). De inspectie heeft dit onderzoek uitgevoerd bij muskusrattenbestrijding en waterschappen in de provincies Zuid-Holland en Noord- Holland.
In Noord- en Zuid-Holland geven zowel de provinciale muskusrattenbestrijding, als het waterschap aan dat er door graverij schade aan waterkeringen is. De door bestrijders aangetroffen schade wordt niet of nauwelijks gemeld bij een waterschap. Hierdoor gaat belangrijke informatie verloren over de staat van waterkeringen. Op basis van haar onderzoek meent de inspectie dat provincies en waterschappen de veiligheid van waterkeringen moeten verhogen door elkaar beter te informeren over schade door graverij in waterkeringen. Het herstel van schade vindt plaats op basis van incidentele meldingen vanuit de muskusrattenbestrijding. Hierdoor kan het waterschap haar wettelijke taak niet optimaal uitvoeren. De provincies Noord- en Zuid-Holland zijn naast muskusrattenbestrijder ook toezichthouder op de inliggende waterschappen voor de veiligheid van waterkeringen. De provincie controleert vanuit dit toezicht in feite indirect haar eigen tekortkomingen in de bestrijdingstaak.
Het slecht in beeld hebben van schade door graverij en het toevallig herstel van schade brengt risico’s met zich mee voor de veiligheid van het watersysteem in de provincies Noord- en Zuid-Holland.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 11 |
|
Nota Oosterschelde
Nota van de Minister van Verkeer & Waterstaat tot instelling van de Commissie Oosterschelde (Commissie Klaasesz) om te onderzoeken of de Oosterschelde wel volgens de oorspronkelijke plannen afgesloten moet worden
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 12 |
|
Ontwerp Stroomgebiedbeheerplannen
De landen van de Europese Unie hebben in 2000 met de Kaderrichtlijn Water afgesproken dat grond- en oppervlaktewater in 2015 (of onder strikte voorwaarden zo snel mogelijk daarna) van goede kwaliteit zal zijn. Daarvoor wordt per stroomgebied een beheerplan opgesteld, waarin is aangegeven welke doelen er gelden voor de grond- en oppervlaktewateren, hoe de kwaliteit behouden kan blijven en waar nodig verder verbeterd gaat worden. Voor ieder Nederlands deel van de grensoverschrijdende stroomgebieden van de Eems, Maas, Rijn en Schelde wordt zo’n stroomgebiedbeheerplan opgesteld. Deze plannen zijn onderdeel van het Nationaal Waterplan en dienen in samenhang hiermee te worden gelezen. De plannen geven een nadere uitwerking en onderbouwing van de beleidskeuzes en de realisatie, zoals deze in de hoofdtekst van het Nationaal Waterplan voor dit onderwerp zijn opgenomen. Dit rapport bevat een samenvatting van de vier ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 13 |
|
Milieu-effectrapport: Project Mainportontwikkeling Rotterdam - Deelnota Bestaand Rotterdams Gebied
In deze deelnota worden de volgende thema's behandeld voor de huidige situatie, de autonome ontwikkeling en de bijdragen die het Bestaand Rotterdams Gebied (BRG) project beoogt:
- Het ruimtegebruik in het haven- en industriegebied. Hier komt niet alleen het ruimtetekort voor de economische groei aan de orde, maar ook de ruimtevraag vanuit de stad.
- De milieukwaliteit. In dit thema komen zowel de bovenlokale milieu-aspecten (zoals CO2-uitstoot) als de lokale milieu-aspecten (geluid, luchtkwaliteit, stank, externe veiligheid en water) aan de orde.
- Natuur, recreatie en landschap. De bij dit thema opgenomen tekst is beperkt tot de natuur en recreatie in het havengebied
en het nabijgelegen stedelijke gebied en het aspect landschap.
- De ruimtelijke kwaliteit. In dit thema worden de effecten ten aanzien van de bereikbaarheid van de woon- en industriegebieden in Rijnmond en de bodemkwaliteit beschreven. De effecten op de bereikbaarheid komen in dit hoofdstuk beperkt aan de orde.
De beleving van de ruimte komt aansluitend in een apart hoofdstuk aan de orde.
Daarnaast worden de BRG-projectactiviteiten beknopt besproken in de deelnota.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 14 |
|
T0-Berekening: Status Quo van UNIBEST-TC
Dit rapport gaat in op de ontwikkelingen bij het UNIBETS-TC model. Met dit model wordt het cross-shore en longshore sediment transport berekend. Om inzicht te krijgen in de verbeteringen in het model wordt er in dit rapport een T0-berekening (een berekening op tijdstip T=0) gemaakt. Dit maakt het mogelijk de ontwikkelingen te evalueren door het te vergelijken met een dergelijke exercitie op het moment T1.
Met de berekening wordt er antwoord gegeven op de vragen of het UNIBEST-TC model één heel jaar de ontwikkeling van het kustprofiel kan doorrekenen en in hoeverre het model de werkelijkheid beschrijft.
Geconcludeerd wordt dat het (nieuwe) UNIBEST-TC model het dwarstransport in de goede orde van grootte bepaald, maar dat het model geen rekening houdt met het ontstaan van banken. Verder onderzoek is nodig. Het model houdt verder goed rekening met de interactie tussen langs- en dwarstransport en biedt daarnaast een goede mogelijkheid om het lot van een zandsuppletie te bestuderen.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 15 |
|
A different approach to water: water management policy in the 21st century
This document outlines the Cabinet's position on water management policy in the 21st century. Immediately fuelling this is my concern about increasing water levels in the rivers, flooding, and the accelerated rise in sea level. In a country like the Netherlands, the geography of which is dominated by the sea and the mouths of four great rivers, water and natural space are inextricably bound to one another. For centuries, spatial planning in the low-lying Netherlands has been a matter of separating and maintaining the separation between land and water. And we have benefited from this, considering the fact that two-thirds of the gross national product (around NLG 400 billion annually) is generated domestically.
But changes are brewing. Climatic changes are increasing the likelihood of flooding and water-related problems. In addition, population density continues to grow, as does the potential of the economy and, consequently, the vulnerability of the economy and society to disaster. Two undesirable
developments that, in terms of safety, potentiate one another - a growing risk with even larger consequences. As such, the safety risk is growing at an accelerated pace (safety risk = chance multiplied by consequence).
In 1999, together with the president of the Association of Water Boards (UvW), I requested an independent Committee to determine whether current water management policy is sufficiently equipped for the future - an effort that came none too soon. Across Europe and abroad, we have witnessed the consequences of superfluous water. The events in Switzerland, Italy and the UK have shown us the importance of looking ahead. The Committee concluded that the current water
management system was not capable of responding to future developments. In order to keep the Netherlands safe, liveable and attractive in terms of water for inhabitants and investors for the century to come, a change in water management policy and in the way we approach water is required.
This change involves the idea that the Netherlands will have to make more frequent concessions. We will have to relinquish space to water, and not win space from it, in order to curb the growing risk of disaster due to flooding, limit water-related problems and be able to store water for expected periods of drought. By this, I do not mean space in terms of the height of ever taller dykes or depth through continued channel dredging, but space in the sense of breadth. This will cost space, but in return we will increase safety and limit waterrelated problems. Safety is an interest that must play a different role in spatial planning. Only by relinquishing space can we set things right and if this is not done in a timely manner, water will sooner or later reclaim the space in its own, perhaps even dramatic, manner.
My argument to innovate water management policy appears to be widely accepted, but more is required. It demands creativity, energy, time and money. Protecting the Netherlands from flooding will require repeated investments over a long period of time.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 16 |
|
Achtergrondnota Toekomst voor Water
Het eindrapport van het project Watersysteemverkenning (WSV), getiteld "Toekomst voor water". Het geeft de eindresultaten van de eerste nationale verkenning van de toekomst van de wateren in Nederland.
Het project WSV is een wetenschappelijk project van het Rijksintituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) en het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) dat zich richt op de toestand en het gebruik van water in Nederland; nu en in de toekomst.
In de Watersteemverkenning (WSV) is een groot aantal analyses uitgevoerd naar mogelijke toekomstige ontwikkelingen in het waterbeleid. De resultaten kunnen worden gebruikt als bouwstenen voor de vier Nota waterhuishouding (NW4).
Basis voor de verkenning in WSV is de analyse van de effecten van de vastgestelde maatregelen in het huidige beleid. Geanalyseerd is welke knelpunten zich voordoen en welke potenties er zijn in de huidige situatie en op een termijn tot 2015. Daarbij is getoetst aan de doelen en streefbeelden die in de derde Nota waterhuishouding (NW3), de Evaluatienota Water (ENW) en andere rijksnota's zijn geformuleerd. Vervolgens zijn mogelijke aanvullende maatregelen geanalyseerd. Daarbij gaat het om maatregelen die de kwaliteit van de watersystemen bevorderen en maatregelen die vanuit het waterbeleid ten behoeve van de ontwikkeling van gebruiksfuncties kunnen worden genomen. Dezelfde termijn, tot 2015, is daarbij gehanteerd.
Voor de lange termijn (2045) is een meer kwalitatieve verkenning uitgevoerd, waarbij het halen van de streefbeelden uit de derde Nota waterhuishouding als uitgangspunt heeft gediend. In het informatiesysteem 'de Waterdialoog' zijn alle toetsresultaten uit WSV vastgelegd en kan in één oogopslag worden gezien in hoeverre de huidige en toekomstige situatie het doel benaderen.
Conclusies in grote lijnen
Geanalyseerd is wat er met de momenteel vastgestelde maatregelen in het kader van het huidige beleid kan worden bereikt. Op basis van deze analyse mag worden verwacht dat de vastgestelde maatregelen verbeteringen opleveren voor de toestand en het gebruik van de Nederlandse watersystemen. Wat ook blijkt is dat de maatregelen niet toereikend zullen zijn om alle doelstellingen te halen. Dit kan deels worden verklaard door het feit dat deze analyse uitging van de momenteel vastgestelde maatregelen, terwijl de druk op de watersystemen toeneemt als gevolg van de groei van de bevolking en de economie. In de tot nu toe vastgestelde maatregelen is met die groei nog niet overal rekening gehouden en zijn eventuele aanvullende maatregelen niet opgenomen. De verwachting is dat het huidige beleid de komende jaren zal inspelen op deze sociaal-economische en demografische ontwikkeling. Hierdoor kan het gat dat in 2015 bij de nu vastgestelde maatregelen dreigt te ontstaan, tussen beleidsdoelstellingen en de feitelijke toestand, kleiner worden gemaakt. Verwezenlijking van de streefbeelding is dan nog niet in beeld. Daar is een uitgebreid pakket van maatregelen voor nodig.
Het waterbeheer heeft in verschillende sectoren een wezenlijke invloed op de economische situatie. Dit geldt bijvoorbeeld voor de landbouw, de scheepvaart en de recreatie. Daarnaast is water ook welzijn en volksgezonheid van wezenlijk belang. Dit laatste aspect is bijvoorbeeld terug te zien in de drinkwatervoorziening.
Uit de analayse blijkt dat de waterhuishouding in de huidige situatie in behoorlijke mate is afgestemd op de gebruiksfuncties. Binnenvaart en recreatie kunnen groeien zonder dat dit in veel watersystemen tot grote knelpunten hoeft te leiden. Er zijn weinig aanvullende maatregelen te bedenken die de gebruiksfuncties bevorderen en waarvan de baten boven de kosten uitstijgen. Wel kan de visserij op termijn winst boeken door beperking van de visserij-inspanning. Er zijn enkele emissiereductiemaatregelen mogelijk, bij toepassing in nieuwbouw en renovatie, die het milieu minder belasten en niet meer kosten of zelfs goedkoper zijn.
Door de uitvoering van het Rijnactieplan en de afspraken van de derde Noordzeeministersconferentie zijn de emissies naar water sterk verminderd. Veel emissiedoelstellingen, waterkwaliteitsdoelstellingen en ook de doelstelling voor verdroging worden echter niet gehaald met de vastgestelde maatregelen, alhoewel de kwaliteit van de ecosystemen wel enige verbetering laat zien.
Om de doelstellingen voor water- en ecosysteemkwaliteit te bereiken zal een zeer uitgebreid pakket van aanvullende maatregelen nodig zijn. Op korte termijn kan een grote stap voorwaarts worden gemaakt in de ontwikkeling van de meeste ecosystemen door het nemen van inrichtingsmaatregelen. Met betrekkelijk weinig kosten kan veel worden bereikt, mits de waterkwaliteit niet verslechtert.
In WSV zijn, op basis van de ecologische doelstellingen van NW3, ecologische streefbeelden uitgewerkt. Voor het bereiken van die streefbeelden is naast inrichtingsmaatregelen een verdere verbetering van de waterkwaliteit gewenst. Het halen van alle grenswaarden voor 2015 brengt hogere kosten met zich mee dan de nu vastgestelde maatregelen. Binnen de huidige maatschappelijke context lijken de NW3-streefbeelden voor de verschillende watersystemen moeilijk te realiseren.
Maatregelen met het karakter van een trendbreuk bieden wellicht meer perspectief. Het gaat daarbij vaak om structurele maatregelen met een lange implementatietermijn. Als dergelijke maatregelen op lange termijn voldoende effect moeten hebben, is het nodig er op tijd mee te beginen. Een belangrijke trendbreuk is bijvoorbeeld het aanpassen van het gebruik van de watersystemen aan de natuurlijke mogelijkheden in plaats van andersom, wat nu gebruikelijk is. Technologische ontwikkeling en kennisontwikkeling, maatschappelijk draagvlak en ontwikkelingen in het buitenland hebben grote invloed op wat uiteindelijk kan worden bereikt.
Voor het bereiken van de streefbeelden is de ruimtelijke ordening een belangrijk instrument. In de beleidsvoorbereiding op nationaal niveau wordt tegenwoordig steeds meer aandacht gegeven aan het ontwikkelen van duurzame relaties tussen ruimtegebruik en watersysteemfuncties. In de ruimtelijke planvorming, bijvoorbeeld, maakt men in toenemende gebruik van hydrologische ordeningsprincipes. Bij de vastgestelde maatregelen zullen de meeste ruimtelijke knelpunten dan ook in omvang afnemen, maar nog lang niet zijn opgelost.
Ook op het lokale niveau kunnen win-win situaties gecreëerd worden door kennis over de werking van watersystemen een duidelijke plaats te geven in de planontwikkeling. Verdere afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening kan worden bereikt door gebruik te maken van gemeenschappelijke uitgangspunten in de planning voor water en ruimte. Hierdoor kunnen conflictsituaties worden opgelost en potenties worden benut.
De totale kosten als gevolg van het huidige waterbeleid stijgen van in totaal 8,3 miljard gulden in 1995 naar 10,4 miljard gulden per jaar in 2015 (prijspeil 1995). Dit betekent voor de komende twintig jaar een gemiddelde stijging van de jaarlijkse kosten van ongeveer 1 procent per jaar. De jaarlijkse lasten voor de huishoudens nemen echter toe met bijna 3 procent per jaar. Dat is overigens een kleiner groeipercentage dan in de afgelopen 10 jaar.
De huidig vastgestelde maatregelen gericht op emissiereductie nemen ongeveer de helft van de totale kosten van het huidige waterbeleid voor hun rekening.
Bij toepassing van de technische mogelijke, aanvullende, systeemgerichte maatregelen moet er jaarlijks nog circa 7 miljard gulden extra worden uitgegeven aan het waterbeheer. Dit betreft zowel emissie- als inrichtingsmaatregelen. Toepassing van de vierde trap zuivering op alle rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's), waardoor de zuivering vergaand verbetert, leidt tot een extra kostenstijging van circa 17 miljard gulden per jaar.
Inrichting en herstel hebben een betrekkelijk klein aandeel in de kosten. De lastenstijging voor de huishoudens bedraagt bij toepassing van dit vergaande maatregelenpakket 10 procent per jaar.
|
[PDF]
[Abstract]
|