Search results also available in MS Excel format.
| 1 |
|
Handreiking natuurvriendelijke oevers: Een standplaatsbenadering
Deze handreiking over natuurvriendelijke oevers bevat praktische instrumenten waarmee waterbeheerders de plaatsbepaling van natuurvriendelijke oevers kunnen optimaliseren en het natuurrendement van deze oevers kunnen vergroten.
Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers wordt gezien als een effectieve en doelmatige manier om het ecologisch functioneren van wateren te verbeteren. Daarvoor moeten ze wel op die plaatsen worden aangelegd waar ze de meeste kans hebben. Ook moet bij het opstellen van de doelen zo goed mogelijke rekening wordt gehouden met de factoren ter plaatse: waterkwaliteit, bodem en hydrologie. Deze worden aangeduid als de standplaatsfactoren van de oever.
In bestaande handleidingen is deze kennis slechts summier beschreven en niet praktisch toepasbaar gemaakt. Deze handreiking doet dat wel. Waterbeheerders kunnen via een aantal sleutels bepalen waar je natuurvriendelijke oevers het best kunt aanleggen en waar je je bij de ontwikkeling van natuur, het best op kunt richten, gezien de omstandigheden ter plekke. Op deze manier kunnen waterschappen het maximale halen uit geplande waterkwaliteitsinvesteringen.
De ontwikkeling van de handreiking maakt onderdeel uit van het Kennisprogramma Watermozaiek van STOWA.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 2 |
|
Manual for Investigation of Hydrological Processes in Mangrove Ecosystems
A description of Mangrove ecosystems. Especially the hydrological processes in these ecosystems are described. The rapport can be used as manual for studies in these Mangrove ecosystems as the rapport gives several points of attention for these studies. Furthermore the rapport gives several hints on how to analyze the data.
Next to these hints and tips the rapport covers a case study of the Klong Ngao near Ranong, Thailand.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 3 |
|
Veilig getij: De effecten van de waterbouwkundige werken op het getijdemilieu van de Oosterschelde
In dit derde deel van de EOS eindrapportage worden de effecten van de waterbouwkundige werken op het ecosysteem van de Oosterschelde beschreven.
Hoofddoel van de waterbouwkundige werken was het waarborgen van de veiligheid van het achterland tegen overstromingen, met behoud van het getijdemilieu. In deze nota komt de vraag aan de orde of en in hoeverre het getijdemilieu van de Oosterschelde, met inbegrip van het menselijk gebruik, behouden is gebleven.
In hoofdstuk 1 worden de uitgangspunten van de evaluatie beschreven. Op grond van onderzoek in de oorspronkelijke situatie (periode 1980-1985) zijn prognoses opgesteld over de te verwachten ontwikkelingen.
In hoofdstuk 2 zijn de belangrijkste karakteristieken van de Oosterschelde aangeduid: de getijbeweging, de uitgestrekte slikken en platen, de schorren en de dijkglooiingen met inbegrip van de planten en dieren die in het gebied leven.
In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de effecten van de waterbouwkundige werken voor de getij beweging, de waterkwaliteit en de bodemligging van geulen, platen en schorren.
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gevolgen van de werken voor de planten en dieren in de Oosterschelde. De microscopisch kleine algen die in het water zweven (het fytoplankton) hebben zich aangepast aan de toegenomen helderheid: andere soorten dan voorheen zijn nu belangrijk geworden. Ook begint de opbloei eerder in het jaar en houdt deze in het najaar langer aan.
In hoofdstuk 5 worden de ontwikkelingen in het gebruik van de Oosterschelde beschreven voor schelpdiercultuur, recreatie en scheepvaart, en wordt voorzover mogelijk de relatie met de waterbouwkundige werken aangegeven. Wat betreft de schelpdiercultuur is de mosselkweek de belangrijkste.
In hoofdstuk 6 worden de veranderingen op het niveau van het ecosysteem beschreven aan de hand van de eerder geformuleerde criteria. Geconcludeerd wordt dat de leefgebieden behouden zijn gebleven, maar dat de erosie van platen en schorren op termijn een verlies van natuurwaarden zal betekenen.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
3.17 Verdere ontwikkeling benthos module (BENBOX): t.b.v. integraal model effectketen Noordzee Fase 2
Het doel van dit deelproject om de effecten van de aanleg van Flyland (veranderingen gesuspendeerd inert particulair materiaal in de waterkolom, fytoplanktonconcentraties en sedimentatie) op lager trofisch niveau (macrobenthos) beter door te vertalen naar hogere trofische niveaus zoals b.v. garnalen en vissen. Het gaat om een kwantitatieve schatting van grootschalige veranderingen van voedselstromen en productieprocessen ten gevolge van het luchthaven-in-zee-project. Het model is opgebouwd uit een aantal functionele groepen met kenmerkende eigenschappen wat betreft voedselopname en voedselbronnen. Het basisidee is dat bepaalde groepen van benthische organismen verschillend reageren wat betreft voedselopname en groei op de aansturende factoren (gedifferentieerde, functionele respons). De directe respons van bepaalde benthosgroepen werkt indirect door tot hoger trofische niveaus. Een functionele groep wordt in het model gerepresenteerd door een serie grootte- klassen die het groottespectrum vormen zoals waargenomen in het veld (het Nederlandse Continentale Plat). Behalve de biomassa (mg C) van een functionele groep worden de aantallen (dichtheid) en de grootteverdeling bijgehouden. Er wordt gebruik gemaakt van al bestaande groei modellen (Von Bertalanffy en DEB model), die rekening houden met allometrische relaties en een software techniek om op een redelijk eenvoudige wijze grootte- klassen te kunnen modelleren. Bovendien wordt de dN15 indicatie bijgehouden, die een aanwijzing geeft over het trofische niveau van de functionele groepen (positie in het voedselweb) en gebruikt kan worden voor vergelijkingen met veldmetingen van deze grootheid. De indeling van trofische niveaus in het BENBOX-model wordt bepaald door voedselrelaties tussen de verschillende functionele groepen. Een belangrijk kenmerk is het aansturen van de functionele groepen vanuit verschillende voedselbronnen (multichannel omnivory). In het BENBOX-model wordt vereenvoudigd rekening gehouden met de zeer complexe rekruteringsproces en mortaliteit van bodemdieren door visserij. De biomassaverdeling over verschillende functionele groepen geeft aanwijzingen op welke manier gebruik gemaakt wordt van de basale voedselbronnen (pelagische en benthische bronnen) en hoe het voedselweb wordt aangestuurd. Een modelschatting van biomassaontwikkelingen en productie wordt geacht als een geschikte methode om de grootteorde van de effecten op natuurwaarden en gebruiksfuncties door dit soort ingrepen te schatten of de effecten van mitigerende maatregelen te analyseren. Er zijn geschikte datasets en voldoende literatuurgegevens om het BENBOX-model te parametersereen en te valideren. De technische ontwikkeling is binnen afzienbare tijd voor gebruik te verwezenlijken. De modeluitkomsten zijn vergelijkbaar met referentiesituatie. De variatie van parameters zal nog getoetst moeten worden. Het grootste voordeel van een modelmatige (generieke) aanpak is de brede inzetbaarheid ook bij verandering van randvoorwaarden of soortgelijke problemen.
|
[PDF]
[Abstract]
|
Search results also available in MS Excel format.