| 1 |
|
Taskforce management overstromingen, deelrapport planvorming
Dit deelrapport Planvorming gaat in op de voorbereiding op grootschalige overstromingen. Het beschrijft hoe de planvorming in Nederland kan worden ondersteund en gestructureerd en hoe de afstemming tussen de betrokken bestuurlijke niveaus kan worden zeker gesteld. Het rapport ‘‘Capaciteitenanalyse voor de taak1 ‘grootschalige evacuatie’’ waarin het nationale beleid
is vastgelegd, is daarbij mede uitgangspunt.
Een afzonderlijke bijlage (A) gaat in op de werkwijze van het operationele besluitvormingsproces grootschalige overstromingen, bekend als het programma van de driedaagsen. Het doorlopen van het proces bleek al een belangrijke bijdrage aan een goede samenwerking te leveren; het is daarmee een programma dat in de toekomst kan worden ingezet. Het programma is er op gericht de juiste dingen in de planning te doen, niet om een ‘dik’ plan af te leveren, dat leidt tot planfixatie of het wordt door niemand gebruikt op het moment dat het nodig is.
Het koppelvlak, de samenwerking en interactie, tussen nationaal en de regio’s is de kritische succesfactor, dit aspect komt uitgebreid in het rapport aan bod. In een bijlage (B) worden de elementen die het koppelvlak bepalen beschreven.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 2 |
|
Taskforce management overstromingen, deelrapport nafase
Dit deelrapport maakt deel uit van het Rapport van bevindingen van de Taskforce Management Overstromingen (TMO). De opdracht aan TMO omvat acht onderdelen. Dit deelrapport is het antwoord op één van die opdrachten:
‘het doen opstellen van een nazorgstrategie’.
Tijdens de uitvoering van de opdracht is het begrip nazorg ingeruild voor nafase omdat de periode na een watersnoodramp niet alleen draait om (na)zorg, maar ook om herstel en wederopbouw. Waarom voor nafase is gekozen wordt later in dit deelrapport uitgebreider toegelicht.
De nafase strategie is ingevuld met een focus op de regio. De strategie is vertaald naar handreikingen en aanbevelingen. Tevens is geprobeerd de aandacht voor de nafase niet te laten verdwijnen als TMO stopt. Daarvoor zijn borgingsadviezen opgesteld.
De nafase van een ramp gaat velen aan. Nationaal is van meet af aan betrokken bij een regio-overstijgende overstroming. Daar ligt de regie, maar die nationale paraplu ontslaat de andere overheden niet van hun taak voorbereid te zijn op een ramp, inclusief de fase na een dijkdoorbraak. Zonder de hulp en inzet van veiligheidsregio’s, gemeenten en waterschappen kan Nederland niet het hoofd bieden aan overstromingen.
Dit deelrapport is de weerslag van bevindingen door TMO. TMO hoopt met dit deelrapport een inspirerende bijdrage te leveren aan een betere voorbereiding op de gevolgen van grote calamiteiten in het algemeen en overstromingen in het bijzonder.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 3 |
|
Taskforce management overstromingen, first impression oefening waterproef
De TMO heeft besloten om zo snel mogelijk na de oefening een First Impression Report (FIR) op te stellen. De TMO legt daarin de eerste bevindingen (impressies) van de oefening vast. Hierin wordt een opsomming gegeven van de verzamelde indrukken van zowel de spelers (nationaal en regionaal) als de oefenorganisatie. Uiteraard zullen deze indrukken in een latere fase worden gedetailleerd in de door de betrokken organisaties uit te voeren deelevaluaties. In deze evaluaties zullen met de nodige nuances de eerste indrukken worden bevestigd of zal blijken dat deze niet geheel juist of misschien zelfs onjuist waren. Dit oordeel zal ontstaan op basis van een zorgvuldige analyse van alle factoren die tot de eerste indruk hebben geleid.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
Analyse van slachtofferrisico's Waterveiligheid 21e eeuw
Een gebruikelijke indicator voor het risico vanuit het individuele of persoonlijke perspectief is het Plaatsgebonden Risico (PR). Deze indicator geeft aan hoe groot de kans is dat een persoon, die een jaar lang permanent aanwezig zou zijn op een bepaalde locatie, overlijdt als gevolg van een overstroming. In de gangbare definitie wordt daarbij geen rekening gehouden met risicoreductie door zelfredzaamheid of evacuatie. Echter, vanwege de aanwezige mogelijkheden voor preventieve evacuatie in veel overstroombare gebieden geeft het PR voor overstromingen geen goed beeld van het werkelijke risico. Daarom wordt in dit rapport een op overstromingen toegespitste indicator gehanteerd: het Lokaal Individueel Risico (LIR). Het LIR is het PR gecorrigeerd voor het effect van preventieve evacuatie. Het LIR is een betere indicator voor het werkelijke slachtofferrisico bij overstromingen dan het PR (De Bruijn, 2009). Vanuit het maatschappelijk perspectief is het van belang om te kijken naar de kans op een groot aantal slachtoffers in één keer. Een overstroming met een groot aantal slachtoffers kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting en heeft een grotere impact dan vele kleine incidenten. Dit aspect komt tot uitdrukking in het groepsrisico. Het groepsrisico wordt ook als risicomaat gebruikt in het Nederlandse externe veiligheidsbeleid. Een gebruikelijke weergave van het groepsrisico is de FN curve, een grafiek die de kans (1-F) op N of meer slachtoffers weergeeft. Bij een grootschalige overstroming kunnen meerdere dijkringen tegelijk overstromen. Vanwege deze dijkringoverstijgende scenario’s is het van belang de FN curve voor Nederland als geheel te beschouwen. Naast het groepsrisico op nationaal niveau presenteert dit rapport ook groepsrisico’s voor verschillende deelsystemen binnen Nederland. Tevens laat het rapport zien welke dijkringdelen de grootste bijdrage ‘leveren’ aan het groepsrisico.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 5 |
|
Speciale uitgave naar aanleiding van de watersnoodramp van het polytechnisch tijdschrift
Uitgebreide uitgave (ca 150 blz) met een beschrijving van de schade door de watersnoodramp 1953 plus een overzicht van de herstelwerkzaamheden. Bevat veel foto's en tekeningen. Deze speciale uitgave is een goede aanvullen naast het verslag van de stormvloed, uitgegeven door Rijkswaterstaat.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 6 |
|
Hydraulische randvoorwaarden voor categorie c-keringen: Achtergrondrapport keringen langs het Amsterdam–Rijnkanaal en Noordzeekanaal (dijkring 13, 14 en 15)
Dit rapport geeft nadere achtergrondinformatie over de werkwijze waarop de Toetspeilen voor de c-keringen langs het Amsterdam-Rijnkanaal (dijkring 14 en 15) en het Noordzeekanaal (dijkring 13 en 14) zijn bepaald. Informatie wordt gegeven over de ligging van de c-kering met specifieke kenmerken van het gebied die van belang zijn voor het overstromingspatroon. Ook de aanpak van de overstromingsmodellering, de resultaten van de overstromingsberekeningen en de berekening van het Toetspeil worden genoemd.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 7 |
|
Schade door overstroming; leren van Franse ervaringen met de storm Xynthia
Op 28 februari 2010, rond 2 uur in de ochtend, bereikte de storm Xynthia de westkust van Frankrijk. Op meerdere locaties bezweken de waterkeringen, met kustoverstromingen tot gevolg. Meer dan 50.000 hectare aan land overstroomde. In totaal vielen in Frankrijk 47 doden, de meesten door het water en een enkeling door de gevolgen van de storm. Vooral de regio’s Vendée en CharenteMaritime kregen het zwaar te verduren. De schade en de slachtoffers van de overstroming zijn niet alleen veroorzaakt door het natuurverschijnsel zelf, maar zijn ook door het menselijk handelen of het uitblijven daarvan. Nederland kan uit deze Franse kustoverstromingen lessen trekken. De omstandigheden in Nederland en Frankrijk zijn voor een groot deel vergelijkbaar. Zo is ook in Frankrijk sprake van laaggelegen kustgebieden die gevoelig zijn voor overstroming. Weliswaar is het beschermingsniveau in Nederland veel hoger, maar ook in Nederland is een overstroming denkbaar. Net als in Frankrijk wordt een overstroming langs de Nederlandse kust veroorzaakt door een combinatie van getijde, stormopzet en golfaanval. Ook weten regelgeving vertonen overeenkomsten; de basis hiervan is gelegd in de tijd van Napoleon.
Dit boek beschrijft de overstroming door de storm Xynthia en de gevolgen daarvan. We trekken hier lessen uit en doen aanbevelingen voor Nederland. We zoeken aansluiting bij de drie onderdelen van meerlaagsveiligheid: preventie, ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 8 |
|
Samenwerking in crisisbeheersing
In 2020 vormen de waterschappen een (veer)krachtig partnerschap in crisisbeheersing. Zowel in de voorbereiding als de feitelijke bestrijding van crises. Dit bereiken zij door vergaande samenwerking tussen de waterschappen en door het aangaan van optimale allianties met hun belangrijkste partners in crisisbeheersing: de veiligheidsregio’s. Een gezamenlijke aanpak in het opstellen en realiseren van deze visie voor crisisbeheersing door de waterschappen, is uniek. Dat vraagt om draagvlak en betrokkenheid van bestuurders en ambtenaren, die zich bezighouden met crisisbeheersing.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 9 |
|
Verkenning van nadere compartimentering van dijkringgebieden
In het kader van de beleidsvoorbereiding Waterveiligheid 21e eeuw (WV21) vindt een herbezinning plaats op de beheersing van overstromingsrisico’s in Nederland. Daarbij gaat het zowel om het verminderen van de kans op overstromingen (waterkeren) als het beperken van de gevolgen van overstromingen. Voor het bepalen van de maatschappelijk meest gewenste beheersing van het overstromingsrisico dienen alle mogelijke maatregelen op hun merites te worden beoordeeld, afzonderlijk en in samenhang met elkaar. Eén van de maatregelen, waarover nog relatief weinig bekend is, is compartimentering. In het kader van de studie Rampenbeheersingstrategie Overstromingen Rijn en Maas (RBSO) is een eerste verkenning uitgevoerd van compartimentering voor dijkringen in het rivierengebied. In de RBSO-studie is geconcludeerd dat compartimentering in het rivierengebied perspectiefrijk is. Vervolgens is in het Kabinetsstandpunt Rampenbeheersing besloten tot het doen uitvoeren van de Compartimenteringstudie. Het doel van de onderhavige verkenning is om antwoord te geven op de vraag of, waar en onder welke voorwaarden compartimentering een zinvolle maatregel is voor het beperken van het overstromingsrisico; in het bijzonder het beperken van de gevolgen van een overstroming. Waar de RBSO-studie zich beperkte tot het rivierengebied, richt de Compartimenteringstudie zich op geheel bedijkt Nederland.
De studie naar compartimentering past in het bredere kader van herbezinning op de beleidsstrategie inzake overstromingsrisicobeheersing (WV21), waarbinnen een onderlinge vergelijking van maatregelen plaatsvindt. Het onderhavige onderzoek is evenwel alleen gericht op de vraag wat compartimentering kan betekenen. Het onderzoek sluit methodisch zoveel mogelijk aan op ander onderzoek voor WV21. Daarom is de wijze van beoordeling van compartimentering afgestemd met WV21 en zijn zoveel mogelijk dezelfde uitgangspunten gebruikt (zie Tabel S.1). Ook is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van methoden en bevindingen uit eerder onderzoek, met name de RBSO-studie.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 10 |
|
Methode voor de bepaling van het aantal slachtoffers ten gevolge van een grootschalige overstroming
In het kader van het onderzoek naar gevolgen van overstromingen bij de Dienst Weg- en Waterbouwkunde (DWW) en het project Veiligheid van Nederland in Kaart (VNK) is onderzoek gedaan naar slachtoffers bij overstromingen. Doel van dit rapport is het beschrijven en onderbouwen van de methode ter inschatting van het aantal slachtoffers bij een grootschalige overstroming van een dijkringgebied in Nederland. De ontwikkelde methode voor inschatting van het aantal slachtoffers is geïmplementeerd in de Schade en Slachtoffermodule van het Hoogwater Informatie Systeem (HIS). In het rapport komen een aantal onderwerpen aan de orde die in onderstaande vragen zijn geformuleerd. Welke typen gegevens zijn beschikbaar m.b. t. slachtoffers bij overstromingen?
In het rapport is een overzicht gegeven van de beschikbare gegevens m.b.t. slachtoffers ten gevolge van overstromingen. Het betreft wereldwijde statistieken van zoetwater en kust overstromingen, gedetailleerde gegevens van buitenlandse overstromingen en enkele gegevens omtrent historische overstromingen in Nederland. Tenslotte is een overzicht van beschikbare gegevens voor de watersnoodramp van 1953. Welke factoren spelen een rol bij de inschatting van het aantal slachtoffers
ten gevolge van overstromingen? Een raamwerk is gepresenteerd waarin de verschillende factoren die het aantal slachtoffers beïnvloeden zijn aangegeven. Het aantal slachtoffers bij een overstroming is in te schatten op basisvan de overstromingskenmerken en de mogelijkheden voor waarschuwing en evacuatie. Met behulp van zogenaamde slachtofferfuncties is een inschatting te maken van het percentage slachtoffers als functie van lokale overstromingskenmerken. Welke methoden zijn beschikbaar om slachtoffers ten gevolge van grootschalige overstromingen in te schatten, en hoe wordt de kwaliteit hiervan beoordeeld? Een overzicht is gegeven van de bestaande methoden voor inschatting van het aantal slachtoffers voor overstromingen in Nederland. Deze methoden zijn vergeleken met de beschikbare gegevens m.b.t. slachtoffers bij de Watersnoodramp van 1953. De relaties tussen de gegevens van de watersnoodramp van 1953 en de gebruikte slachtofferfuncties konden op basisvan de beschikbare gegevens niet allemaal gereproduceerd worden. Deze bevindingen tonen aan dat het nodig is om verbeterde slachtofferfuncties af te leiden op basisvan de beschikbare gegevens. Kan op basis van de beschikbare gegevens een verbeterde methode worden afgeleid? Op basis van de gegevens van de Watersnoodramp van 1953 is een model ontwikkeld om het aantal slachtoffers in te schatten als functie van de overstromingskenmerken. De volgende oorzaken zijn onderscheiden: slachtoffers nabij de bres, slachtoffers door snel stijgend water, en slachtoffers door overige oorzaken. Op basis van de beschikbare gegevens zijn voor deze drie zones slachtofferfuncties afgeleid. Hoe kunnen de ontwikkelde slachtofferfuncties worden toegepast om te komen tot een eerste grove inschatting van het aantal slachtoffers bij een overstroming? Aangegeven is hoe de ontwikkelde slachtofferfuncties zijn toe te passenom te komen tot een grove inschatting van het aantal slachtoffers. Deze methode houdt onder andere rekening met de omvang van het overstroomde gebied, het aantal hierin aanwezige personen, de kenmerken van de overstroming en mogelijke doodsoorzaken. Een case studie is uitgevoerd voor dijkring 36 "Land van Heusden / de Maaskant. Hierbij is een conservatieve berekening uitgevoerd voor een doorbraak bij de gemeente Oijen. De resultaten van de case kunnen als conservatief worden beschouwd omdat nog geen rekening is gehouden met evacuatie vooraf en de vluchtmogelijkheden na de dijkdoorbraak. Tot slot zijn enige aanbevelingen gedaan. De belangrijkste aanbevelingen betreffen de onderbouwing van de slachtofferfuncties, de analyse van evacuatie en vluchten, het gebruik van overstromingssimulaties en de toepassing van de methode in risico berekeningen.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 11 |
|
Verslag over den stormvloed van 13/14 januari 1916
Officiëel verslag over de stormvloed van 13/14 januari 1916 door Rijkswaterstaat. Deze stormvloed leidde tot nogal wat overstromingen in Zuiderzee gebied en was de directe aanleiding tot het starten van de Zuiderzeewerken (aanleg afsluitdijk en aanleg IJsselmeerpolders).
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 12 |
|
Rapport van bevindingen, taskforce management overstromingen
In onze eindrapportage die u als vervolg op deze brief aantreft, hebben wij verantwoording, bevindingen en aanbevelingen van de Taskforce neergelegd.
Het stuk bestaat uit een Rapport van Bevindingen en drie deelrapporten. Deelrapport Planvorming is een handreiking voor het completeren van de plannen op alle niveaus. Deelrapport Nafase bevat een strategie voor de noodzakelijke uitwerking van de Nafase, waarin zorg aan getroffenen, herstel, weder opbouw en terugkeer samenkomen. Het deelrapport First Impression tenslotte, geeft de eerste bevindingen weer van de landelijke oefenweek Waterproef, begin november 2008.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 13 |
|
Risico's in bedijkte termen: een thematische evaluatie van het Nederlandse veiligheidsbeleid tegen overstromen
De waterkeringen die Nederland beschermen tegen overstroming vanuit de zee of de rivieren zijn nog nooit zo sterk geweest: de kans op overstroming van delen van het land is sinds de watersnoodramp van 1953 sterk verminderd. Toch is Nederland in de afgelopen jaren aanmerkelijk kwetsbaarder geworden voor het gevaar van overstroming: het overstromingsrisico is toegenomen door een sterke toename van de schade bij een eventuele overstroming. De controverse tussen sterkere dijken en een groter risico wordt grotendeels toegeschreven aan een sluipende discrepantie tussen de handhaving van wettelijk voorgeschreven normen gericht op de sterkte van dijken, en de gestaag doorgaande sociale en economische ontwikkeling. De normen zijn grotendeels gebaseerd op inzichten van de periode 1953-1960, kort na de watersnoodramp in zuidwest Nederland. De huidige ruimtelijke verdeling van de financieel-economische waarde van dijkringgebieden sluit niet langer aan bij de ruimtelijke verdeling van normniveaus in de wet. Bovendien lijkt de Nederlander overstromingen door falende dijken niet meer te zien als een natuurverschijnsel dat af en toe kan optreden. Het overstromingsgevaar lijkt te worden beschouwd als een risico vergelijkbaar met extern opgelegde risico's als industriele installaties, luchthavens en treinemplacementen. Vergelijking van het overstromingsgevaar met deze externe risico's laat zien dat de kans op veel dodelijke slachtoffers tengevolge van overstromingen veel groter is dan de kans op veel slachtoffers tengevolge van alle bekende externe risico's bij elkaar. Vergeleken met andere landen (Europa, de VS, Japan) gelden in Nederland al hogere normen voor de waterkeringen, wat ook in overeenstemming is met de hoge kwetsbaarheid van de Nederlandse samenleving (dichtbevolkte en hoogontwikkelde onder zeeniveau gelegen gebieden). Een verdere toename van het overstromingsrisico wordt voorzien, als gevolg van de verdere stijging van de zeespiegel, klimaatwijzigingen en verdere sociale en economische ontwikkeling. Technische oplossingen zijn niet langer het enige antwoord op deze toename. In de afgelopen jaren was de aandacht met name gericht op de hoogte en sterkte van waterkeringen. Opties op het gebied van de ruimtelijke ordening zijn buiten beeld gebleven. Gedacht kan worden aan het vermijden van risicovolle bouwlocaties en het compartimenteren van grote dijkringgebieden. Steun vanuit de politiek is essentieel: het verleden heeft laten zien dat deze steun enige tijd na een ramp snel inzakt.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 14 |
|
Rapport overstromingsramp in Tuindorp-Oostzaan te Amsterdam-Noord
Samenvattend rapport van de overstromingsramp in Tuindorp Oostrzaan in Amsterdam in 1960 door het doorbreken van een boezemkade van het Zijkaanaal H van de Noorder IJpolder (Barnegat). Deze doorbraak was aanleiding voor de Minister om de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen op te richten.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 15 |
|
Doorbraakvrije zeedijken
Interne rijkswaterstaat notitie over het gebruik van doorbraakvrije zeedijken (feitelijk overslagbestendige zeedijken) als alternatief voor extremen dijkverhogingen, vergelijkbaar met de "deltadijken"van de tweede deltacommissie (Veerman). Reactie van Wemelsfelder over het politiek onhaalbare van dit concept.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 16 |
|
Syntheserapport Gebiedspilots Meerlaagsveiligheid
Voor het toepassen van meerlaagsveiligheid zijn nieuwe kaders en spelregels nodig. Dit syntheserapport geeft echter geen concreet recept hoe de meerlaagsveiligheid benadering vorm gegeven zou moeten worden. De pilots zijn niet ingezet om een vergelijking te maken met huidig beleid en de conclusie of het slimmer of beter kan, wordt dan ook niet getrokken in dit rapport. De keuze voor verdere toepassing van de benadering is onlosmakelijk verbonden met de keuzes over hoe om te gaan met waterveiligheid op basis van een risicobenadering. Hiermee is er een directe link met de Deltaprogramma's Veiligheid en Nieuwbouw en Herstructurering en de voorziene Deltabeslissing over normering. De synthese van de gebiedspilots staat echter los van de discussie over hoe de normen moeten worden ingevuld. Dit is een politiek/ bestuurlijke keuze. Op basis van de toepassing van meerlaagsveiligheid zijn wel enkele ervaringen opgedaan die input kunnen zijn voor deze discussie. In deze rapportage zijn deze ervaringen gepresenteerd:
• De synthese doet geen uitspraak over hoogtes van normen of de wijze waarop die ingevuld kunnen worden voor een gebied.
• De synthese schetst wel behoeftes zoals die zijn gedefinieerd vanuit de toepassing van meerlaagsveiligheid die relevant zijn voor de Deltabeslissing over normering als hierin meerlaagsveiligheid een plaats krijgt.
Het rapport geeft ook conclusies en aanbevelingen voor de verdere implementatie van meerlaagsveiligheid. Hierbij wordt zowel ingegaan op de regionale toepassing van meerlaagsveiligheid als de randvoorwaarden en spelregels die daarbij gewenst zijn. Deze randvoorwaarden en spelregels zijn ontwikkeld gedurende de uitvoering van de synthese op basis van reflectie en discussie over de resultaten van de gebiedspilots. Daarbij is tevens gebruik gemaakt van al aanwezige kennis, lopende studies over deltadijken, VNK2, WV21, kennis over ruimtelijke (plan)processen en recente literatuur.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 17 |
|
Maatschappelijke kosten-batenananalyse Waterveiligheid 21e eeuw
De MKBA richt zich op de kosten en baten van maatregelen die tot doel hebben om de kans op een overstroming te reduceren. Voor de dijken die het achterland direct beschermen tegen grootschalige overstromingen vanuit de kust, rivieren en meren (de zgn. A-keringen) zijn economisch optimale beschermingsniveaus berekend. Daarnaast zijn de kosten in beeld gebracht die nodig zijn om de economisch optimale beschermingsniveaus te realiseren. In het onderzoek is uitgegaan van dijkversterking als maatregel. Maatregelen die er op gericht zijn om, in plaats van de overstromingskans te reduceren, de gevolgen te beperken, zijn niet in de MKBA meegenomen. In de MKBA is gebruik gemaakt van een economisch model dat een optimale, lange termijn investeringsstrategie in dijkverhogingen beschrijft. ‘Optimaal’ wil zeggen dat de totale kosten van investeringen in dijkverhoging en verwachte schade (kans maal schade) over een langere periode worden geminimaliseerd. Daarbij is rekening gehouden met economische groei (waardoor de schade bij overstromen in de tijd stijgt) en met klimaatverandering en bodemdaling (waardoor de overstromingskansen in de tijd toenemen). Het model rekent een optimale investeringsstrategie uit met optimale tijdstippen en optimale omvang van dijkverhogingen. Vervolgens zijn uit deze strategie economisch optimale overstromingskansen afgeleid. Omdat is toegewerkt naar één getal (een economisch optimale overstromingskans) zijn – ook al zitten daar lastige kanten aan – zo veel mogelijk aspecten van veiligheid monetair gewaardeerd. Dat geldt ook voor slachtoffergerelateerde schade en schade aan landschap, cultuur en natuur.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 18 |
|
Flood preparedness in The Netherlands : a US perspective
We claim that, in The Netherlands, emergency management for flooding should be seen as an ‘add on’ to existing emergency planning. Therefore, some specific preparation is required to minimize loss of life and maximize the use of available information, resources and infrastructure. This booklet discusses this preparation based on the experiences of the NUWCReN network within the context of The Netherlands and other countries with limited budgets for flood preparedness and low risk perception of the public and limited urgency for preparation by decision makers.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 19 |
|
Klimaatdijk: Een verkenning
The Climate Dike is a logical addition to the current practice of raising and reinforcing dikes. A Climate
Dike is defined here as „a collective term for design components that result in flood defences so
robust that they are virtually impossible to breach, and thus offer lasting protection, even in the face of
ongoing climate change..
The Climate Dike concerns a type of dike that allows some wave overflow and even a limited amount
of flooding, but which prevents the uncontrolled catastrophic dike breaks associated with devastating
flooding of the hinterland. The number of potential victims and the resulting damage are therefore in
no way comparable to those incurred when a traditional dike breaks. The risk, calculated as a product
of the probability of occurrence and the resulting damage, is therefore drastically reduced.
Another feature of the Climate Dike is its integrated multi-functional character. On it, a wider range of
socio-economic interests can be built than on traditional dikes. This means that greater opportunities
for financing also become available.
Before the Climate Dike can be approached as a serious alternative, clarity is needed on the relevant
information, experience, policy and knowledge that exists (and does not yet exist). The current
inventory was conducted with that requirement in mind.
The authors looked at, among others, projects that presented problems and challenges similar to
those expected in development of a Climate Dike. These relate, among others, to technical,
economic, social and spatial issues.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 20 |
|
Verslag van het voorgevallene tijdens het hooge opperwater op de Nederlandsche rivieren in den winter van 1925 op 1926
Na een lagen stand op 21 December 1925 bereikt te hebben begon de Rijn te Keulen sterk te wassen, welk was met een korte onderbreking 26 en 27 December aanhield tot in den nacht van 1 op 2 Januari, waarbij de hoogste bekende stand bij open rivier van 45.63m +NAP of 9.69m +0 werd bereikt.
De Maas vertoonde vóór deze hoogwaterperiode geen lagen stand; in den nacht 19 op 20 December werd te Maastricht 42.62m NAP of 1.07m +M.R. als dalstand geregistreerd; de toen intredende was hield aan tot 1 Januari 1926, waarbij ook op deze rivier de bijzonder hooge stand van 46.92m NAP op 1 Januari 1926 op den middag werd bereikt.
De waarnemingen tijdens het jongste hoog opperwater hebben doen zien, dat verschillende rivierwaterkeringen niet overal voldoende overhoogte hadden. De overloop, die daarvan op een aantal plaatsen het gevolg was en andere oorzaken, hebben geleid tot doorbraak van verscheidene dijksgedeelten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de meteorologische omstandigheden bijzonder ongustig waren in den winter.
De buitengewone omstandigheden, die de rampspoedige vloeden van December - Januari hebben veroorzaakt, worden in dit verslag uiteengezet.
|
[PDF]
[Abstract]
|