| 1 |
|
Afslag Midden-Delfland,
poldergolf as rural strategy
Part of a double graduation in Architecture and Urbanism, this urbanism thesis shows how golf and other recreational networks can maintain the poldercharacteristics and make the polder economically profitable again.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 2 |
|
Innovation strategy measurement: development of an assessment tool to measure 'Innovation Strategy' fitness of companies
|
[PDF]
|
| 3 |
|
Foyers in Nederland: Nieuwe vormen van begeleid wonen voor jongeren
Foyers of Werkhotels bieden wonen, begeleiding en daarmee samenhangende voorzieningen op een locatie, bestemd voor jongeren in de leeftijdsgroep van 18 tot 25 jaar. Foyers kunnen varin in omvang van twintig tot een paar honderd bewoners, in het aanbod van voorzieningen en in de mate van openheid voor de omgeving. In Frankrijk en in het Verenigd Koninkrijk zijn in vijftig, respectievelijk twintig jaar honderden Foyers gerealiseerd, maar in Nederland komen Foyers moeizaam van de grond.
Het onderzoek gaat in op de kenmerken van Foyers, de programmering van het bouwkundig ontwerp en de ontwikkeling en het beheer van Foyers en geeft de randvoorwaarden voor de Nederlandse situatie. Het programma van eisen valt uiteen in de woon- en gebruikswensen van de beoogde bewoners, van de begeleiders en beheerders, en van de externe betrokkenen zoals de omwonenden en de gemeente. Bij de ontwikkeling en het beheer zijn vele, soms tientallen partijen betrokken. Belangrijke onderscheidende aspecten van beheer zijn de organisatievorm, de wet-en regelgeving, het financieel beheer (inclusief de exploitatie) en het sociaal beheer. Tenslotte worden van de Nederlandse Foyers en de buitenlandse voorgangers succes- en faalfactoren benoemd.
Dit onderzoek is een explorerend onderzoek. Allochtone jongeren zijn ruim vertegenwoordigd in de doelgroep, in de Nederlandse praktijk vormen Antilliaanse jongeren de grootste groep Foyerbewoners. De empirische dataverzameling is afkomstig van projecten in Nederland, Frankrijk, Engeland, Cura en Aruba. De grootste Nederlandse Foyer, Crabbehof in Dordrecht, is casestudy.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
Hybrid Modeling for inter-turn voltage computation in layer type distribution transformers
The aim of this thesis is to calculate the primary inter-turn voltage distributions when the medium voltage single phase power transformer is subjected to a step voltage. This culculation is performed by considering the turns of the primary winding as transmission lines. In this thesis, the hybrid model, a combination of single transmission line model and multiconductor transmission line model,is used. Secondly, the interturn voltage distribution is computed for the situation when a medium voltage distribution cable is inserted between the source and the transformer. This distribution cable has to be modeled using a high frequency cable model. The cable is also considered as a transmission line.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 5 |
|
Paradise Regained: the Watchman, the Sleeper, the Dreamer, and the City
|
[PDF]
|
| 6 |
|
Park Laakhaven
Met als bijlage: A0 poster
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 7 |
|
Herbestemmingsproject Berckepoort & Statenschool te Dordrecht
|
[PDF]
|
| 8 |
|
Stedenbouwkundig plan spoorzone; MultiMediatheek Delft
|
[PDF]
|
| 9 |
|
A SoC solution for fingerprint minutiae extraction
Fingerprint identification or verification is used more often in civilian applications. In the
near future, Automatic Fingerprint Identification Systems (AFIS) can be found on mobile
phones or smartcards. Most AFIS are however computationally intensive, and are designed
for execution on large systems such as PC's. The main bottleneck is the minutiae extraction
part. In this thesis a solution is presented to perform this part on a FPGA.
The solution consists of a modified version of the MINDTCT system, designed by NIST. It runs on an open-source micro-controller called LEON2, that is created by Gaisler. Both the software and hardware are modified to form a well operating minutiae extractor. The software is stripped and fixed-point conversion is performed. Also some algorithms are modified to enhance performance. For the LEON the right configuration needed to be found. The most time consuming parts of the software are accelerated by using co-processors. They where connected to the micro-controller, by using the CPI interface.
This project shows it is possible to run a fingerprint minutiae extractor on a FPGA, while using limited resources. Because the software is very computationally intensive, it takes an average of 60 seconds to complete one fingerprint. The accelerators will speed-up the system by almost 40%. The solution is based on the System-on-Chip (SoC) principle and therefore
provides a perfect basis for a low-power fingerprint chip.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 10 |
|
Bangoco - a Bangalorean Community: finding a solution for the small scale slum
Met als bijlage: A0 poster
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 11 |
|
Ketenintegratie als alternatief voor fysieke havenuitbreiding
Indien de haven de opslagcapaciteit voor goederen wil verhogen, is fysieke uitbreiding hiervoor een mogelijke oplossing. De bewustwording van schaarse ruimte en milieu, leiden ertoe dat deze oplossing zoveel mogelijk dient te worden uitgesteld. Oplossingen dienen gezocht te worden in het beter benutten van de bestaande opslagcapaciteit, waarbij de ruimteproductiviteit (TEU/ha/jaar) verhoogd wordt. Het doel van dit onderzoek is het inventariseren van deze oplossingen en het analyseren van deze mogelijkheden als alternatief voor fysieke capaciteitsmaatregelen.
Evan de oplossingen is het verlagen van de verblijftijd van de containers op de zeehaven waardoor de opslagruimte beter kan worden benut. Door de verblijftijd te verlagen kunnen meer containers gebruik maken van dezelfde containerplaats. Andere mogelijkheden voor het beter benutten van de opslagruimte zijn het verhogen van de bezettingsgraad van de opslagruimte en het effici inrichten van het haventerrein. Het verlagen van de verblijftijd is als onderwerp gekozen in deze studie. Het verlagen van de verblijftijd kan worden bereikt door het toepassen van een prijsstructuur of door ketenintegratie. Ketenintegratie berust op het afstemmen van logistieke activiteiten binnen de totale keten, waarvan de haven onderdeel uitmaakt. Het hanteren van een prijsstructuur waar bijvoorbeeld voor containers met een langere verblijftijd meer moet worden betaald, kan er toe leiden dat containers verloren gaan naar concurrerende havens.
Ketenintegratie kan op verschillende manieren plaatsvinden. De verschillende integratievormen zijn in deze studie doorlopen en getoetst aan een drietal uitgangspunten. Deze zijn: ten eerste een verhoging van de ruimteproductiviteit door een verlaging van de verblijftijd. Ten tweede, gebruik maken van bestaande faciliteiten in de keten. Ten derde, de ontvanger bepaalt de doorlooptijd; de tijdsduur vanaf het aankomstmoment van de container op de haven tot afleveringsmoment op de eindbestemming in deze studie. Met name dit laatste uitgangspunt belemmert de toepassing van integratievormen die kunnen leiden tot een lagere verblijftijd van de containers op de haven. Het verlagen van de verblijftijd kan mogelijk worden bereikt als de containers verplaatst worden naar een inlandterminal of een andere zeeterminal.
Het effect op de ruimteproductiviteit door het verplaatsen van de containeropslag naar inlandterminal is met een simulatiemodel onderzocht. De simulaties zijn uitgevoerd met een dagelijks bezoek van een 200 TEU binnenvaartschip waarbij ruim 63000 TEU naar een gebied in het achterland moet worden getransporteerd. De invloed van de inputvariabelen, maximale acceptabele verblijftijd, doorlooptijd van de containers, maximale bezettingsgraad en vaartijd van het schip op de verblijftijd van de containers op de haven is onderzocht met diverse simulaties. De resultaten van de simulaties zijn vervolgens vertaald naar ruimteproductiviteit.
Significante reductie in verblijftijd wordt gesignaleerd bij het verhogen van de bezettingsgraad van het binnenvaartschip van 80 naar 90% bij zowel een maximale acceptabele doorlooptijd en verblijftijd van 5 dagen als bij een variabele verblijftijd van 3-7 dagen. Hierdoor verdubbelt de ruimteproductiviteit van 24000 naar 54000 TEU/ha/jr. Bij een variabele doorlooptijd van 3-7 dagen vindt een significante reductie in verblijftijd plaats indien de bezettingsgraad van het schip stijgt van 50 naar 60% bij een vaartijd van 5 dagen. Ook hier verdubbelt de ruimteproductiviteit. In het algemeen geldt dat de laagste verblijftijd wordt behaald indien het 200 TEU schip een beladingsgraad van 100% hanteert. Voor wat betreft de vaartijd blijkt het volgende: bij een variabele doorlooptijd van 3-7 dagen en een bezettingsgraad van 60%, hebben inlandterminals die op 5 dagen vaarafstand liggen een gunstiger effect op de ruimteproductiviteit vergeleken met inlandterminals die op 1 t/m 4 dagen vaarafstand liggen. Bij een bezettingsgraad van 100% is dit juist tegenovergesteld.
Het verlagen van de verblijftijd van containers door de opslag naar inlandterminals te verplaatsen is een alternatief voor fysieke uitbreiding van de haven. De maatschappelijke en economische gevolgen van deze verplaatsing dienen nader onderzocht te worden voor zowel de haven als inlandterminals.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 12 |
|
Scour around an offshore wind turbine
|
[PDF]
|
| 13 |
|
Wat is het effect van een inundatiepolder op de boezemwaterstand?
In september 1994 heeft men in Noord-Holland te maken gehad met wateroverlast. De waterstanden op de boezems stegen tot onacceptabele hoogten en enkele boezemkades dreigden te bezwijken. Deze wateroverlast was een gevolg van overvloedige regenval en beperkte lozingscapaciteit. Een mogelijke oplossing om te hoge waterstanden te voorkomen is het inzetten van een inundatiepolder.
Door de zeespiegelrijzing en de verwachte toename van de neerslag in de toekomst zal de waterafvoer in natte periodes van de polders naar de boezem worden vergroot. Om ontoelaatbare boezemwaterstanden te voorkomen, kunnen inundatiepolders worden ingezet. Het effect van deze polders op de waterstand is nog niet onderzocht. Tevens is nog weinig bekend over de hydraulische vormgeving van het aflaten van boezemwater in een inundatiepolder.
De doelstelling van dit afstudeeronderzoek was tweeledig en luidde:
* Inzicht verschaffen in de effecten van een inundatiepolder op de boezemwaterstanden in een kritieke situatie. Hierbij wordt gekeken naar: de situering van een inundatiepolder, het begintijdstip van inunderen en welk type kunstwerk (zijdelingse overlaat of regelbare schuif) het meest geschikt is.
* Onderzoeken op welke manier een inundatiepolder het best gemodelleerd kan worden (- of twee-dimensionaal), kijkend naar het effect op de boezem.
Met behulp van het stromingspakket SOBEK RURAL is een -dimensionaal boezemmodel opgezet. Hierbij is gebruik gemaakt van de modules channel flow en rainfall runoff. Aan de hand van dit model zijn simulaties gedaan om het effect van een inundatiepolder te onderzoeken. Door de inundatiepolder ook in de twee-dimensionale module overland flow te schematiseren en te koppelen aan het -dimensionale boezemmodel kon het effect van de schematisatie van de polder geanalyseerd worden.
Het blijkt dat een inundatiepolder, hydraulisch gezien, op een strategisch goed gepositioneerd punt moet liggen.
Het begintijdstip van inunderen is van wezenlijk belang. Indien een polder te vroeg wordt ingezet, kan de polder vol zijn op het moment van de piekbelasting op de boezem.
Als inlaatkunstwerk blijkt een regelbare schuif het meest geschikt, vooral door zijn regelbaarheid en geringere afmetingen t.o.v. de zijdelingse overlaat. Het is wel belangrijk dat er bij het ontwerp van de inundatiepolder een goed draaiboek van de regelbare schuif gemaakt wordt en dat de verantwoordelijkheden vastliggen op papier. De wijze van modelleren van een inundatiepolder in een -dimensionale schematisatie blijkt goed te voldoen om de effecten op de boezemwaterstand te onderzoeken. Voorwaarde is wel dat de inundatiepolder vrij diep is, zodat het inlaatdebiet niet wordt beloed.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 14 |
|
Wave reflection from rock slopes under random wave attack
|
[PDF]
|
| 15 |
|
BadBaz: een kuurOord te Bergen aan Zee
BadBaz, een ontwerp voor een kuuroord te Bergen aan Zee. Het Bad, bestaande uit hotel, restaurant, gym, kuurbaden en parkeergarage ligt als een blok verzonken in het duin waar de elementen zon, zee, wind en de duinen een directe relatie hebben met het kuren. Op de 'kuurbunker' bevind zich een paviljoen met dakterras waar met uitzicht op zee en duinen gegeten en ontspannen kan worden. Het bad is onderdeel van een parkstrook welke de zee, de duinen, het kuurpark en Bergen aan zee met elkaar verbindt tot BadBAZ.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 16 |
|
The analysis of model measurements concerning the behaviour of moored ships in long waves
When designing a new port it is important to predict the operation efficiency of the port. In this respect, it is desirable to predict the possible downtime of a new port in an early phase of the design process. Downtime depends strongly on the moored ship motions. In the past decades several numerical models were developed to predict the behaviour of moored ships in waves. They are referred to as Six Degree of Freedom (SDF) models. These models, such as TERMSIM and BAS, are complex and require quite detailed input data. This detailed information is not available in the planning phase of a new port. Consequently, it is desirable to estimate possible downtime by means of a simple model that estimates the ship's behaviour without detailed input data. With this in mind Delft University of Technology started a research programme that consists of a number ofMSc- projects possibly leading to a PhD-project. The research objective of the programme is to investigate the possibilities of simplification of the models used nowadays. In this respect the aim is to find straightforward relationships to describe the behaviour of moored ships subjected to incident waves. It is emphasized that this simplified model is not meant to replace the Six Degree of Freedom models. The simple model is a valuable design tool, to be used in an early stage of the port development process. This report covers one of the MSc-projects defined as "The analysis of model measurements concerning the behaviour ofmoored ships in long wave ". It concerns the model tests of the planned "Coega Harbour" in South Africa. Part of this project is carried out in South Africa, at CSIR (Council for Scientific and Industrial Research), where data of the model tests are available. The aim of the project is to gain insight in the importance of the various parameters and their mutual relations. An important issue is the validation of relationships mentioned in the literature. The main objective is to derive straightforward relations between motions of a moored ship and the wave field near the ship. Hypotheses with regard to the surge, sway and roll motion are derived from the theory of a moored ship. These hypotheses are verified using the data measured in the physical model. This data is limited to one type of ship moored with one type of mooring system inside one specific harbour. Consequently, the conclusions do not contain general validity. Nonetheless, the results present tools that contribute to the understanding of the response of a moored ship to incident waves.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 17 |
|
Toe structure for rubble mound breakwaters: analysis of toe bund design tools and a method for toe rock stability description
This thesis investigates the stability of rocks in toe bunds for rubble mound breakwaters. Presently recommended design tools lack a reasonable degree of accuracy to assess required toe element dimensions. The goal of this research is to improve the insight in the physical process related to stability of toe bund elements under wave load.
Analysis of presently recommended methods led to the following conclusions:
a. The formula of Van der Meer is no improvement of the formula of Gerding.
b. Both methods use an inappropriate relation between stability and damage.
c. The method of Van der Meer may often underestimate the required toe rock size.
A new hypothesis is formulated to describe toe rock stability. The concept for the model of this study is based on two steps:
Step 1: Assessment of the local water motions at the toe bund. The amplitude of local velocity is calculated by summation of the contributions of the incoming wave and down rush, taking a phase difference into account.
Step 2: Description of the critical load on a toe rock. The Rance/Warren stability criterion is used with a theoretical adaptation that accounts for porous outflow.
Coupling these two steps implies that a rock will move if the occurring velocity exceeds the critical velocity.
An evaluation of the hypothesis is performed and the model is fitted to available test data. The accuracy of stability assessment is increased with respect to previous methods. The model of this study has more resemblance to the test data and can be used to predict the required toe rock size in design. This is verified for the applicability range of the data set of Gerding.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 18 |
|
Een verkenning naar de beste decommisioningstrategie voor de HOR
|
[PDF]
|
| 19 |
|
Enhanced visualization for improved lesion diagnosis in virtual colonoscopy
The risk of developing colon cancer is strongly correlated with the appearance of polypoid lesions (also called polyps) in the large intestine [Santoro et al. 2008]. Not all polyps are dangerous; in fact only one percent of polyps smaller than one centimeter is dangerous. However, when polyps grow bigger the risk quickly increases to over fifty percent. Recently another kind of lesion was discovered that has higher risk of developing towards cancer [Soetniko et al. 2008]. This so-called flat lesion is extremely hard to spot. Research in the past two years has made some effort to detect flat lesions automatically
from CT scans but has yet been unsuccessful. This thesis tries to describe techniques that help radiologists spot polypoid and flat lesions in a CT Colonography by enhancing the rendered images of the colon interior surface wall.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 20 |
|
Analytical representations of low-thrust trajectories
|
[PDF]
|