| 1 |
|
Wave reflection from rock slopes under random wave attack
|
[PDF]
|
| 2 |
|
Shallow foreshore wave height statistics
Wave height distributions on shallow foreshores deviate from those in deep water due to the effects of the restricted depth-to-height ratio and of wave breaking. Laboratory data of wave heights on shallow foreshores of different slopes have been analysed to determine these effects and to derive generalised empirical parameterisation. A model distribution is proposed consisting of a Rayleigh distribution or a Weibull distribution with exponent equal to 2, for the lower heights and a Weibull with a higher exponent for the higher wave heights. The parameters of this distribution have been estimated form the data and expressed in terms of local wave energy, depth and bottom slope, yielding a predictive model that is to be significantly more accurate that existing expressions.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 3 |
|
Waterverlies van de rivier de Hadejia
De rivier de Hadejia in Nigeria stroomt over de goed waterdoorlatende bodem van het Tsjaadbekken. De grondwaterstand in het Tsjaadbekken ligt op 5 meter of dieper onder de rivierbodem. Er stroomt dus water af vanuit de rivier door de bodem naar het grondwater. Het is belangrijk te weten wat de grootte van het waterverlies door de bodem is ten opzichte van het debiet in de rivier over een bepaald traject. Met behulp van een aantal theorieën om het waterverlies door de bodem te bepalen is een schatting gemaakt van de hoeveelheid water die door de bodem afstroomt. De belangrijkste factoren daarbij zijn de doorlatendheid van de bodem, de afmetingen van het doorstroomoppervlak en de diepte van de grondwaterstand. Ook is er een schatting gemaakt van hat waterverlies door verdamping. De afmetingen en het reliëf van het hoogwaterbed van de Hadejia bepalen, samen met het debiet, de oppervlakte van het overstroomde gebied. Met de afmetingen van het rivieroppervlak is daarmee de grote van het verdampingsoppervlak bepaald. Uit de berekeningen blijkt dat het waterverlies van de Hadejia voor ruim 90%, wordt veroorzaakt door afstroming door de bodem en
slechts een klein gedeelte door verdamping.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 4 |
|
Waterverlies in waterlopen met een sterk doorlatende bodem
waterverlies in waterlopen treedt vooral op in gebieden waar het water stroomt over een sterk doorlatende bodem met een lage grondwaterstand. Over de wijze waarop de afstroming door de bodem plaatsvindt, en de invloed daarvan op het verloop van de waterdiepte, is nog weinig bekend. Door Schropp (1987) is een differentiaalvergelijking opgesteld om het verloop van de
waterdiepte in een water loop met ondergrondse afstroming te kunnen berekenen. De differentiaalvergelijking is getoetst aan de hand van experimenten in een stroomgoot.
Deze studie is een vervolg op het werk van Schropp. De theorie is uitgebreid voor wat betreft een eventuele watersprong in de stuwkromme. De experimenten zijn opnieuw uitgevoerd met een
vergrote doorlatendheid van de bodem. De resultaten van de experimenten zijn vergeleken met de oplossing van de differentiaalvergelijking, waarin de experimenteel bepaalde waarden; het instroomdebiet, de ruwheid en de doorlatendheid van de bodem zijn ingevoerd. In eerste instantie geeft dat vrij grote verschillen te zien. De verklaring daarvan ligt in de grootte van de doorlatendheid van de bodem.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 5 |
|
Zandtransport in de golfrichting in relatief ondiep water
Sediment transport by waves in the direction of the waves in relatively shallow water.
Het onderzoek naar zandtransport in meest algemene Zin kent al een ruime historie. In eerste instantie lag het accent hierbij op bestudering van het zandtransportverschijnsel onder invloed van een permanente stroom, zoals in rivieren en kanalen. Daarbij is in een groot aantal formu1es getracht het fysische proces van zandverplaatsing tot uitdrukking te brengen. Algemene bekendheid hebben de formules van: f1eijer-Peter en Muller, Einstein, Kalinske-Frijlink, Engelund-Hansen, en Hhite-Ackers.
Voor het bestuderen van kustprocessen is echter ook inzicht nodig in het mechanisme van het sediment transport onder invloed van golven, al dan niet met gesuperponeerde stroom. Zowel op praktische als fysische gronden heeft het zin daarbij onderscheid te maken tussen langstransport (evenwijdig aan de kust) en dwarstransport (loodrecht op de kust). De gekozen tweedeling komt er
immers op neer dat het transport beschouwd wordt dat vrijwel loodrecht respectievelijk in de golfrichting plaatsvindt.
Zoals de titel van dit afstudeerrapport al suggereert, wordt vooral het transport in de golfrichting In het huidige onderzoek bestudeerd. Uit diverse modelonderzoeken en ook In het prototype kan geconstateerd worden dat de golfbeweging alleen transport tegen de golfvoortplantingsrichting
in kan genereren. Een treffend voorbeeld hiervan wordt aangetroffen bij het Veluwemeer en het Veerse meer in Nederland. Hier hebben de oevers over een aanzienlijke afstand een vrijwel horizontaal verloop Bij de relatief geringe golfbeweging treedt er echter een aanzienlijke kusterosie op, wat a11een maar kan betekenen, dat er sterk negatief transport gegenereerd wordt (tegen de golfvoortplantingsrichting in). In eerste instantie wordt aangenomen dat dit transportverschijnsel samenhangt met de optredende asymmetrische golfvorm en de komplekse bodemstruktuur ter p1aatse.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 6 |
|
Milieuvriendelijk oeverbeheer: Een empirisch onderzoek naar juridisch-bestuurlijke aspecten
Een milieuvriendelijke oever kan gedefinieerd worden als een multifunctionele oever waarbij de ecologie een belangrijke rol speelt; m.a.w. natuurwaarden spelen in de aanleg, inrichting, onderhoud en beheer van dergelijke oevers een belangrijke rol. De functies van een milieuvriendelijke oever kunnen onderverdeeld worden in drie categorieën:
1. primaire functie: het vastleggen (beschermen) van de oever
2. secundaire functie: natuurbehoud en (ontwikkeling (ecologische en landschappelijke waarde)
3. toegevoegde functies: het gebruik van de oever door mensen voor verschillende doeleinden
|
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 7 |
|
Onderzoek naar de waterbeweging in de lagune achter de Zuiderdam op de Maasvlakte
In 1986/87 is een onderzoek gedaan naar de waterbeweging in de lagune achter de Zuiderdam op de Maasvlakte, met als uiteindelijk doel het maken van zandtransportberekeningen. De resultaten van
het toen ontwikkelde rekenmodel voldeden niet aan de vereiste nauwkeurigheid, gezien de onbevredigende zandtransporten die ermee berekend werden.
Om de waterbeweging in de lagune beter te beschrijven, moest onderzocht worden, wat de oorzaak kon zijn van de onnauwkeurige resultaten.
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 8 |
|
Onderzoek landhoofden Wijkertunnel
Rijkswaterstaat heeft een voorlopig ontwerp gemaakt voor de Wijkertunnel, die deel zal uitmaken van de zogenaamde tunnelstroom. De afritten in het voorlopig ontwerp van Rijkswaterstaat bestaan uit een landhoofd, open bakconstructie en vliesconstructie. In dit afstudeerproject wordt onderzoek gedaan naar de stabiliteit van de afritten in verschillende bouwstadia.
Uit de resultaten van het bovengenoemde onderzoek blijkt dat het landhoofd instabiel zal zijn in de zinkfase, indien uitgegaan wordt van het concept van een altijd open dilatatievoeg. De instabiliteit treedt in de horizontale richting op. Als de onderdelen van de afrit koud tegen elkaar gestort zijn, zou de bovengenoemde instabiliteit niet plaatsvinden. De wrijving aan de zijkanten van de open
bakconstructie houdt in dit geval de afrit op zijn plaats. Maar doordat er dan geen open dilatatievoegen aanwezig zijn, wordt de afritconstructie niet meer beschermd tegen de mogelijke temperatuur- en kruipeffect. Als gevolg van de bovengenoemde conclusies wordt er ook gezocht naar een alternatieve bouwwijze van het landhoofd.
Met behulp van het inzicht dat verkregen is in het stabiliteitsonderzoek kunnen er verschillende alternatieven ontwikkeld worden. Uit de mogelijke alternatieven wordt er een meest geschikte bouwwijze gekozen en globaal uitgewerkt. Het blijkt dat het mogelijk is, door enige geringe
aanpassingen van het ontwerp, de diverse moten van de open bakconstructie en het landhoofd in horizontale zin zelfstandig stabiel te construeren. Daardoor is de constructie beter beschermd tegen effecten van temperatuur, kruip en krimp.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 9 |
|
Laboratorium proeven: erosie en afslag van grastaluds
Er is een onderzoek naar de erosiegevoeligheid van grastaluds uitgevoerd in het Laboratorium voor Vloeistafmechanica van de TUDelft. Het doel van de proeven was het verkrijgen van inzicht in
de erosie- en afslaggevoeligheid van rivierdijken met grasbekleding.
Voor de proeven zijnn grasmatten gestoken uit dijkvakken bij Doornenburg, Gendt, Terwolde, Twello en Woudrichem. De monsters zijn geselecteerd op bodem- en vegetatiesamenstelling. Met behulp
van een speciaal ontwikkeld steekapparaat zijn monsters gestoken van 3 meter lang, 0.8 meter breeed en 0.3 meter hoog. In een golfgoot zijn deze grasmatten met golven belast. Gedurende de
proeven is het verloop van de erosie gemeten. In dit verslag zal uitgebreid worden ingegaan op de opzet en de uitvoering van de proeven. Ook zullen de resultaten van de verschillende onderzoeken worden gepresenteerd en worden er op basis van deze proeven conclusies getrokken. Ook zullen de proeven worden geplaats in relatie tot ander uitgevoerd onderzoek.
Naast het onderzoek naar de erosiegevoeligheid onder golfbelasting, is er ook onderzocht wat de karakteristieken van de grasmatten zijn. Onder karakteristiek wordt verstaan de vegetatieve- en bodemsamenstelling, de opbouw van de wortel laag en het gedrag in het erosietoestel van Grondmechanica Delft. De resultaten van dit onderzoek zijnn grofweg in tweeën te delen. In de eerste plaats is er ervaring opgedaan voor verder onderzoek. Dit was ook een uitgangspunt bij de opzet van dit onderzoek dat oriënterend van aard zou zijn.
In de tweede plaats zijn er op basis van dit onderzoek een aantal relaties gevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn ook getoetst aan de resultaten van andere onderzoeken. Een belangrijkste resultaat is de conclusie dat het beheer bij het toepassen van zandigere dijken van vitaal belang is. Dit
omdat de sterkte van deze dijken, bij toenemende zandfractie, steeds meer wordt bepaald door de vegetatielaag. De sterkte van deze vegetatielaag wordt weer in belangrijke mate beïnvloed door
het beheer.
Eveneens een interessant resultaat is dat de vorm van de erosie in de tijd lineair verloopt. Tot de bovenlaag met vegetatie bezwijkt is er sprake van een lineair verloop. Dit resultaat is ook terug te vinden in de proeven gedaan in Lith.
|
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 10 |
|
Golfrandvoorwaarden in duinafslag berekeningen
In de kustmorfologie worden processen op lange termijn en op korte termijn onderscheiden. Processen op lange termijn zijn in het algemeen het gevolg van gradiënten in het langstransport van sediment. De effecten van deze processen op het bodemprofiel van de kust zijn meestal pas in de loop
van jaren merkbaar. Processen op korte termijn treden op bij extreme omstandigheden zoals stormvloeden. Bij deze processen zijn sedimenttransporten loodrecht op de kust de oorzaak van de veranderingen in het bodemprofiel en meestal is er sprake van duinafslag. Hoewel de extreme
omstandigheden in het algemeen van korte duur zijn (enkele uren tot ca. een dag), kunnen de veranderingen in het bodemprofiel van de kust zo groot zijn, dat gevaar voor het achterland kan optreden. Over deze processen op korte termijn handelt dit verslag.
In kwalitatieve zin wordt met de term duinafslag het gehele verschijnsel van erosie en sedimentatie in het kustprofiel tijdens stormvloeden bedoeld. In kwantitatieve zin wordt hiermee het volume afgeslagen zand boven de maximale stormvloedstand per strekkende meter kust bedoeld.
De belangrijkste factoren die het duinafslagproces bepalen zijn de volgende: het initiële bodemprofiel (hierbij wordt de waterstand inbegrepen), de eigenschappen van het bodemmateriaal, de golfkarakteristieken, zoals die tijdens de beschouwde extreme omstandigheden van toepassing zijn.
In deze studie staat de rol van de golfkarakteristieken in het duinafslagproces centraal.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 11 |
|
Diepte-geïntegreerd model voor slib met toepassing voor de Amer
Als gevolg van de gereduceerde getijbeweging op het Noordelijk Delta Bekken (NDB), veroorzaakt door het in werking treden van de Haringvlietsluizen in 1970, is onder andere op de Amer een
aanzienlijke sedimentatie opgetreden. Uit bodemonderzoeken is afgeleid, dat de sedimentatie op de Amer voornamelijk uit slib bestaat.
Er is een diepte-geïntegreerd, dynamisch netwerk model ontwikkeld voor het beschrijven van het transport van slib met een uitbreiding tot een morfologisch slibmodel. Het model is gebaseerd
op de twee-dimensionale massabalansvergelijking met convectie en dispersie. Als op de randvoorwaarde is gebruik gemaakt van de sedimentatieformule van Krone en de erosieformulering volgens Partheniades.
Ten einde een zo goed mogelijke slibparameters te verkrijgen is een beschikbare gegevens gemaakt.
schatting van de uitgebreide analyse diverse van de Het ontwikkelde morfologische model is toegepast op de bodemontwikkeling van de Amer. Voor zover het sedimentatie betreft, geeft het model redelijk goede resultaten bij realistische waarden voor de slibparameters . Naast een
gevoeligheidsanalyse naar de invloed van de verschillende slibparameters is ook getracht een voorspelling te doen naar de toekomstige evenwichtsligging van de bodem. Echter door de geringe
bekendheid van de erosieparameters en de grote mogelijke spreiding is dit niet mogelijk gebleken.
Naast de conclusies uit dit onderzoek aanbevelingen voor verder onderzoek gegeven.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 12 |
|
Morphological aspects of non-erodible reaches in rivers
The bed of some rivers partially consists of non-erodible layers. These non-erodible layers may become obstacles for navigation during the low-water period. To improve navigation development in the future, one can consider the removal of the non-erodible layers. To predict the morphological consequences due to these works, knowledge about the effects of non-erodible layers on the bed level of the river is necessary. The present research was concentrated at the following two main subjects:
Sediment transport travelling over non-erodible layers. Bed level variations upstream and downstream of the non-erodible layer.
The latter subject is subdivided into the cases of a short and a long non-erodible layer. Aspects which were studied with respect to the description of sediment transport over non-erodible layers were:
Incipient motion of sediment particles on a fixed bed. Bedforms on a non-erodible layer.
Roughness of non-erodible layers, with or without the influence of bedforms. In the theories concerning the alluvial bed and the above mentioned subjects, it was pointed out were these theories are not valid in the case of non-erodible layers. Suggestions for adaptations of these theories are given. The most important adaptation is the introduction of a reduction function which defines che sediment transport reduction in comparison with the alluvial situation. Next analytical solutions for the bed level variations upstream and downstream of the non-erodible layer were derived using Laplace
transforms. To do this, the basic equations were linearized and boundary conditions were derived. Relatively much attention was payed to the boundary conditions at the non-erodible layer. Suggestions were made of how the research results concerning sediment transport over non-erodible layers could be used in the determination of these boundary conditions.
Finally the analytical solutions were compared with numerical results which were obtained from calculations with an adapted version of the computer program ODIRMO (version 3.0). The calculations were made using data of the Mekong river (Thailand).
The research led to the following results:
Insight into the usefulness and shortcomings of the present sediment transport models of non-erodible layers is obtained. The analytical solutions of the bed level variations upstream and downstream the non-erodible layer agree well with the numerical results of ODIRMO.
Now a computer program is available (ODIRMO, version 3.0) which can simulate non-erodible layers in rivers using the adaptations in sediment transport and roughness modeis.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 13 |
|
Time-dependent near-bank beddeformation in meandering rivers
Due to the relatively high computational costs related to the use of 2D models the purpose of this study was to develop a one-dimensional mathematical model that can give a fair estimation of the near-bank deformation and the bedtopography in meandering rivers. The bedtopography is characterized by a point bar-pool configuration that can also be reproduced by the MEANDER model that is presented here. The basic flow and sediment equations are elaborated into two systems of
ordinary differential equations using an asymptotic series of trigoniometric functions that describes the transverse bed profile. Each system represents the odd and even terms of this series. The unknown parameters are the amplitudes at the banks of each term. These amplitudes are solved
numerically in longitudinal direction and time. The model is applied on the Mekong river at the border of Thailand and Laos, between Vientiane and Nong Khai. Due to a lack of sufficient data the
model is not yet tested thoroughly.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 14 |
|
De deltasluis te Vlaardingen
Het geheel bestaat uit 4 delen.
Deel 1 begint met de probleembeschrijving : een aan te leggen dijk kruist een haventoegang. Voor dat probleem worden mogelijke oplossingen aangedragen, en afgewogen aan de hand van een aantal criteria. De afweging leidt tot een keuze : de bouw van een nieuwe keersluis.
In deel 2 krijgt de keersluis gestalte : er wordt aandacht gegeven aan de situering, de bouwmethode en het type afsluitmiddel ; verschillende onderdelen worden gedimensioneerd.
Deel 3 bevat de bijlagen bij deel 2 : het betreft voornamelijk figuren en berekeningen.
In deel 4 tenslotte wordt aangegeven hoe de keersluis gebouwd kan worden: wat er voor nodig is, hoe lang het zal duren, en hoeveel het gaat kosten. (Ontbreekt)
|
[PDF]
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 15 |
|
Voorspelling van de oppervlakte-stroming
Wedstrijdzeilen is een sport waarbij taktiek een grote rol speelt. Dit komt onder andere tot uiting door de wijze waarop de wedstrijdzeiler gebruik maakt van winddraaiingen en de positie van zijn tegenstanders. In een aantal gevallen kan daarbij kennis van de lokale stroomsituatie een voordeel zijn. In september 1988 vonden de Olympische zeilwedstrijden plaats in de baai van Pusan, een havenstad in Zuid-Korea. Voor een optimale voorbereiding op deze zeilwedstrijden is de Nederlandse zeilploeg reeds drie jaar tevoren begonnen met verkenning van de lokale weers- en stromingssituatie. Bestudering door de zeilploeg van deze vergaarde gegevens leidde niet tot herkenning van een vast
patroon in de stroming, ook niet in relatie met de gemeten windsnelheden en -richtingen. Dit is de reden dat aan vertegenwoordigers van het Waterloopkundig Laboratorium en Meteo Consult is gevraagd deze gegevens ook eens te analyseren. Uit deze analyse bleek dat het mogelijk moest zijn aan de hand van getij- en windgegevens de stroming nabij Pusan te berekenen.
Voorjaar 1988 is besloten tijdens de Olympische zeilwedstrijden dagelijks een weers- en stromingsverwachting te leveren. De weersverwachting zou daarbij door Meteo Consult geleverd worden. Het Waterloopkundig Laboratorium voerde vervolgens, mede op basis van deze windvoorspelling, een stroomberekening uit.
In dit verslag wordt ingegaan op de inhoudelijke aspecten van deze stroomberekeningen.
|
[PDF]
[Abstract]
|
| 16 |
|
Concentratie- en diffusiecoefficientenverdeling onder onregelmatige en brekende golven
Voor het begrijpen en voorspellen van morfologische processen aan zandige kusten, zoals kustlijnontwikkeling in de tijd of erosie tijdens een storm, is inzicht nodig in het zandtransport,
de motor van deze processen. Zand- of sedimenttransport kan beschreven worden als het produkt van een snelheid en een sedimentconcentratie; een transportprofiel, over de waterdiepte,
als een snelheidsprofiel maal een concentratieprofiel.
Een snelheidsprofiel is (momentaan) goed te meten en redelijk nauwkeurig te berekenen. Instantane concentraties zijn niet gemakkelijk te meten, en nog niet goed te verwerken in mathematische beschrijvingen. Dit heeft tot gevolg dat op bovenstaande manier alleen een tijdsgemiddeld zandtransport bepaald kan worden.
Bovendien is het nog niet goed mogelijk om een concentratieprofiel te voorspellen op grond van randvoorwaarden.
Een concentratieprofiel laat zich beschrijven door de bodemconcentratie en de vorm van de concentratieverdeling over de waterdiepte. Voor de beschrijving van de concentratieverdeling wordt er
vanuit gegaan dat een relatief eenvoudig diffusie- of mengingsmodel kan worden toegepast. Uit de gemeten concentratieverdeling is dan de bijbehorende diffusie- of mengingscoëfficiëntenverdeling over de water diepte te bepalen.
Deze diffusiecoëfficiëntenverdeling is hier 'onderwerp van onderzoek.
Voor dit onderzoek is uitgegaan van meetgegevens, beschikbaar uit onderzoeken welke uitgevoerd zijn in de Deltagoot van het Waterloopkundig Laboratorium De Voorst, door J.A. Roelvink en
H.J. Steetzel in de periode oktober 1986 tot juni 1987.
|
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 17 |
|
Study of the diffusion activity in case of non-breaking waves with a current
Sediment transport causes morphological changes of coastal areas, and it is one of the most important objects in coastal engineering study. Recently, various experiments have been performed to investigate the sediment transport mechanism under a combination of waves and currents and to find the underlying relationships among various parameters which control the sediment transport mechanism is a main topic of research. But still there are many unknown and unexpected facts in this phenomenon. Therefore, further efforts to investigate the basic mechanism of this phenomenon is inevitable.
The diffusion coefficient which expresses the intensity of the diffusion activity is one of the most important parameters controlling this phenomenon. In this report, two different approaches to estimate the diffusion coefficient in case of ,non-breaking waves with a current are discussed. The first one is based on the concentration distribution, and the second one is based on the velocity
distribution. For these approaches. the experimental data measured by E.N.Nap and H.F.A.van Kampen (August 1988 TU Delft) are mainly used and some of the experimental data measured by
D.Heijboer (May 1988 TU Delft) are selected as comparisons. For convenience this report is divided in two parts. Part I contains all texts and illustrative figures, Part 11 contains all
figures of calculation results. (All computer programs, their input data and outputs for this study are available in the Delft University of Technology).
|
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 18 |
|
Havensimulatie van de Braakmanhaven ten behoeve van DOW Benelux NV. te Terneuzen
Oe Braakmanhaven bij Terneuzen is volledig in gebruik door de vestiging van DOW Benelux NV, waar voornamelijk aardolie producten worden verwerkt. De aan- en afvoer van deze vloeistoffen en gassen wordt voornamelijk verzorgd door schepen, waarvan het aantal en de overgeslagen hoeveelheden zodanige vormen hebben aangenomen dat de bezettingsgraad per ligplaats ca. 60 % bedraagt. Dit getal in combinatie met de verwachting dat het totaal doorgezet volume de komende jaren nog verder
zal stijgen, houdt in, dat bij gelijkblijvende omstandigheden de demurrage ( kosten te betalen door DOW als gevolg van vertraging vanaf de landzijde) fors omhoog zal gaan.
Om inzicht te krijgen in deze demurrage ( in de vorm van wachttijden) en de effecten van maatregelen, in de zin van aanpassing van de infrastructuur, is een simulatiemodel van deze haven gebouwd. De aandachtspunten hierin zijn de ontwikkeling van de bezettingsgraad, de uitwisselbaarheid van de ligplaatsen, het leidingennet en het tankpark ( beperkt tot de verschepingstanks ). De eerste resultaten van het model laten zien dat het jaar 1981 op deze manier goed gerepresenteerd wordt en de haven, qua capaciteit nog niet het maximum heeft bereikt. Een eerste verandering in de infrastructuur ( extra parallel leidingen) had een beduidende positieve
invloed, zodanig dat deze mogelijkheid zeker verder onderzocht dient te worden. De capaciteit van de landtanks is op basis van de hier ter beschikking staande gegevens niet te beoordelen. Hiervoor moet duidelijkheid ontstaan over de fluctuaties in de aan- en afvoer naar en van de fabrieken.
|
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 19 |
|
Blankenburgtunnel
In dit verslag is de aandacht vooral uitgegaan naar het noordelijke landhoofd van deze tunnel. De Blankenburg zal onder de Nieuwe Waterweg komen te liggen, nabij Maassluis (noordelijke oever) en Rozenburg (zuidelijke oever). Momenteel is het nog niet zeker of er een nieuwe ondergrondse
oeververbinding onder de Nieuwe Waterweg gerealiseerd zal worden. Als deze er zal komen, dan is de keuze tussen deze tunnel en een tweede Beneluxtunnel.
Het afstudeerwerk gaat enkel over het noordelijke gedeelte van de tunnel. Het zuidelijke gedeelte van deze tunnel is het afstudeeronderwerp van de heer G. Schotanus. Hoewel deze twee studies gelijktijdig liepen, is er vrijwel geen onderling overleg geweest.
|
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|
| 20 |
|
A computer simulation approach for regular inter-islands sea transport planning in Indonesian
Indonesia is an archipelago country, where the maritime transportation plays a major role for transporting goods from one island to the others and from out of the country to one of the
islands or vice versa. In this study a subject regarding regular lnterislands ship transportation was chosen and a too for its planning was necessary to be created, especially for the following
intentions :
a. estimating required number of vessels on a route,
b. measuring the resulted performances of: ships, ports and routes due to the various modification of the route network and its composition of the allocated ships, each ports' quay length, channel dredged level, workinghours and transhipment rate.
In this study, the computer simulation model, so called INDROUTE model, was made in order to observe the dynamic behavior of the real system being studied.
|
[PDF]
[PDF]
[Abstract]
|