Verslag van het voorgevallene tijdens het hooge opperwater op de Nederlandsche rivieren in den winter van 1919 op 1920

More Info
expand_more

Abstract

Nadat de Rijn op 20 December 1919 tot even beneden den middelbaren zomerstand 1901-1910 (M.R.) was gedaald vertoonde zich op die rivier een sterke en vrij snelle was, waardoor het water te Keulen tot 6m +M.R. bij het einde van het jaar steeg. In de daarop volgende 11 dagen daalde de waterstand tot 1.5m +M.R. om daarna in 5 dagen weder te rijzen tot den zeer hoogen stand van 7m +M.R. Door een aanvankelijk sterken later flauweren val liep de stand weder terug tot 1.5m +M.R. op 30 Januari. Ook op de Maas vertoonden zich twee dicht op elkaar volgende sterke wassen. Bij den aanvang van den eersten was op 19 december stond het water te Maastricht op ruim 1m +M.R. en steeg het in 6 dagen tot 4.37m +M.R.; in de daaropvolgende 9 dagen bleef de stand steeds hoger dan 4m +M.R. en daalde toen tot ongeveer 2m +M.R. op 10 Januari 1920. De tweede was trad op laatsgenoemde datum in waarbij het water oplied tot 4.94m +M.R. op 15 Januari. Het water daalde daarna dadelijk en was op 29 Januari tot ongeveer 2m +M.R. weggevallen. Bij den tweeden was op Rijn en Maas werden de hoogst bekende waterstanden bij open rivieren overtroffen te Keulen met 7 cm en te Maastricht met 2 cm. De rivieren waren ijsvrij.