Rijksweg 256 gedeelte Etten-Leur-Breda

Tunnelgedeelte

More Info
expand_more

Abstract

In vervolg op de voorstudie wordt in dit gedeelte van het afstudeerwerk een onderzoek gedaan naar het ontwerp van het tunnel gedeelte in R.W 256 door Etten-Leur. Tunnels zijn ondergrondse doorgangen voor transport. Ze worden gebruikt voor het transport van passagiers, goederen, water, riool-afvalwter en gas. Hier wordt de tunnel ontworpen om de belangen van 2 of meer elkaar kruisende landverkeers stromen te scheiden. Op de plattegrond is het trace van de tunnel te zien (fig. 1&2 ). Vanaf het maaiveld, gelegen op ca 7,80 m+ NAP, bestaat de bodem tot ca 4.5 m-NAP uit een holoceen pakket, hoofdzakelijk gevormd door leem- en kleilagen en leemhoudend zand, met een zeer geringe waterdoorlatenheid. Onder het holoceen wordt een pleistoceen zandpakket aangetroffen, dat bestaat uit zand waarin enkele kleilaagjes voorkomen. In het pleistocene watervoerende zandpakket reikt de stijghoogte van het grondwater tot ca 4.56m+NAP. zoals kan worden gezien bij de grond gegevens (bijlage 1) ter plaatse waar de tunnel zou worden geprojecteerd. De keuze van de tunnel bouwwijze in zachte grond, dat wil zeggen in grond bestaande uit zand, grind, klei, veen en soortgelijk materiaal, vloeit hoofzakelijk voort uit het probleem van de ondersteuning in de grond als de tunnel gereed is. Moderne methoden maken het mogelijk tunnel te bouwen in alle soorten grond, hetzij met water verzadigd of niet. De technieken zijn in de afgelopen jaren zover ontwikkeld, dat de uitvoering geen probleem is. De beslissing moet gezocht worden in de planologische bestuurlijke- en natuurlijk het financiele vlak. In het navolgende hoofdstuk komt een beschouwing over het programma van eisen en de probleemstelling aan de orde, gevolgd door een overzicht van de mogelijke bouwmethoden. Verder zal aan de hand van de situatie ter plaatse, met afweging van voordelen en nadelen van die methoden, een methode worden gekozen. Tenslotte zal de gekozen tunnel worden gedimensioneerd.

Files