De kolonisatie door flora en fauna van betonblokken op het zuidelijk havenhoofd te IJmuiden; Betonblokken als foerageergebied voor paarse strandlopers en steenlopers

More Info
expand_more

Abstract

De komende jaren is groot onderhoud gepland aan de beide havenhoofden bij IJmuiden. Hierbij zullen nieuwe betonblokken op de havenhoofden worden aangebracht. De havenhoofden behoren tot de vijf belangrijkste overwinteringsgebieden in Nederland voor de paarse strandloper. Deze soort foerageert op en tussen de betonblokken. Een grootschalige vernieuwing van de blokken heeft wellicht een negatief effect op de paarse strandloper, terwijl er geen alternatieve foerageergebieden in de omgeving beschikbaar zijn. In oktober 2004 zijn ongeveer 30 proefblokken neergelegd op de kop van het zuidelijk Havenhoofd. Rijkswaterstaat Noord-Holland is geïnteresseerd in de aangroeisnelheid van wieren en macrofauna op de nieuwe blokken, waarbij de oude blokken, die in 1967 zijn geplaatst, als referentie dienen. Beantwoording van deze vraag is van belang voor het vaststellen van de fasering van het geplande groot onderhoud. Indien de aangroeisnelheid van wieren en macrofauna relatief laag is, kunnen bij grootschalige aanpak van het onderhoud de foerageermogelijkheden voor de paarse strandloper tijdelijk geheel verdwijnen, terwijl de steenloper mogelijk negatief wordt beïnvloed. Om na te gaan welke organismen op het menu van de paarse strandloper staan en met welke snelheid nieuwe betonblokken begroeien, is in april 2006 veldonderzoek uitgevoerd. Enerzijds is gekeken naar aanwezigheid, gedrag en voedselkeuze van de paarse strandloper en steenloper en anderzijds is de begroeiing van nieuwe betonblokken van 1,5 jaar oud vergeleken met die van betonblokken van bijna 40 jaar oud. Het onderzoek is, met enkele aanpassingen, in december 2006 herhaald. Op grond van de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen worden gedaan ten aanzien van het groot onderhoud aan de Zuid- en Noordpier: - De werkzaamheden aan de pieren dienen in de periode half mei-augustus plaats te vinden. - De hellingshoek van de vlakken van de blokken mag niet te steil zijn, omdat de vogels dan niet goed in staat zijn om op de blokken te foerageren. - De werkzaamheden over de pieren dienen minstens een spreiding te hebben van drie jaar, omdat een deel van de potentiële prooisoorten minstens twee jaar nodig heeft om zich weer op de pier te kunnen vestigen. Aangezien de vogels vooral aan de buitenzijde van de pier foerageren, geldt dit met name voor de buitenzijde van de pier. - De vogels foerageren bij voorkeur in de hoogtezone tussen NAP en -0,8 m NAP: een minder steil talud in deze hoogtezone is gunstig voor de paarse strandlopers en steenlopers. - De belangrijkste voedselsoorten voor deze vogels zijn de adulten en vooral larven van de dansmugsoort Telmatogeton japonicus, ruwe alikruiken en mosselen. Bij het ontwerp en materiaalgebruik moet ten behoeve van de vogels de aanwezigheid van deze prooisoorten behouden/bevorderd worden. - In de zone boven NAP worden op de bovenzijde van de blokken vooral larven van de dansmugsoort Telmatogeton japonicus geconsumeerd en geen mosselen en ruwe alikruiken, omdat deze soorten hier ontbreken. Deze soorten komen wel voor op de zijkanten van de blokken. Door ruimte tussen de blokken aan te brengen, kunnen de vogels ook op deze prooisoorten foerageren. - De aanwezigheid van ruwe alikruiken wordt ter plaatse vooral bepaald door de beschikbaarheid van holten/gaatjes in het oppervlak van de blokken. Het is daarom aan te bevelen om reeds bij de fabricage holten te creëren. Een diameter van 20-30 mm en een diepte van 10-15 mm wordt al geschikt geacht voor de holten. Uit kostenoverwegingen zouden blokken met gaatjes en langsgroeven pas vanaf de 3e rij (vanaf de bovenkant pier gezien) toegepast kunnen worden.