De waterkwaliteit van een zuigerput in het IJsselmeer nabij Lelystad in de zomer 1973

More Info
expand_more

Abstract

In Nederland zijn de laatste 25 jaar vele diepe putten ontstaan t.g.v. zandwinning. In deze stilstaande water met een diepte variërend van 10 tot 40 meter kunnen in de vertikaal grote temperatuurverschillen ontstaan t.g.v. de slechte warmtegeleiding in dit medium. In diepere wateren onstaat er in de voorzomer een warme bovenlaag en daarmee een groter temperatuurverschil, waardoor de stabiliteit van het meer steeds groter wordt naarmate de bovenste lagen worden opgewarmd. Gedurende deze stagnatieperiode wordt geen tot weinig zuurstof e.a. stoffen in de oplossing van bovenaf toegevoegd, wel kan door uitregenen van de bovenste warme laag afgestorven organisch materiaal en andere slibdeeltjes naar de diepte zinken, zodat de chemische kwaliteit van dit diepe water sterk kan gaan afwijken van het oppervlaktewater. Deze verschillen in de chemie met toenemende diepte wordt chemische stratificatie genoemd. Door de Dienst der Zuiderzeewerken is deze zomer een meet- en bemonsteringprogramma uitgevoerd in een diepe zandzuigerput. Uit de meetresultaten blijkt dat aldaar deze zomer minstens twee keer een thermische en chemische stratificatie is opgetreden. Deze zijn onstaan na een koele periode die gevolgd werd door een warmweerperiode. Met enige voorzichtigheid is te stellen dat op het IJsselmeer geen permanente stratificatie zal optreden bij putten niet dieper dan 25 à 30 m. Evenwel blijkt uit de resultaten dat tijdelijk op diepten van meer dan 15 à 20 m hydrobiologisch gezien zich ongunstige omstandigheden kunnen voordoen die voor het meeste leven op deze diepten fataal is. Putten tot 15 à 20 m zullen geen kwaliteitsverslechtering van het meerwater veroorzaken, als men tenminste de putbodem zo egaal mogelijk afwerkt en de taluds flauw houdt. Tenslotte kan worden geoncludeerd dat voor het al of niet optreden van thermische en chemische gelaagdheid in diepe putten niet alleen de diepte maatgeven is, doch eveneens de grootte van het gehele meer, de ligging van de put t.o.v. de wind en de morfologie achter meer- en putbodem.