De vorm en vormverandering van zandgolven en megaribbels in proefgebied Goeree

More Info
expand_more

Abstract

Van oktober 1979 tot april 1981 zijn er van dezelfde zandgolven over dezelfde raai 26 diepte lodingen verricht. Sommige lodingen werden zeer snel na elkaar gedurende één getij genomen. Enkele reeksen tijdens doodtij en enkele reeksen tijdens springtij. Deze lodingen zijn visueel en d.m.v. kuberingen met elkaar vergeleken. Voor het vergelijken aan de hand van kuberingen worden drie meegenomen zandgolven elk in 4 -vakken verdeeld. Door het oppervlak van de diverse dwarsprofielen met elkaar te vergelijken zijn de eventuele vormveranderingen van de zandgolven te registreren zonder dat de invloed van de megaribbels hierin meespeelt. Bij het verwerken van de oppervlakte-gegevens zijn de fouten die ontstaan door en verkeerde getijregistratie en het uit de koers varen van het lodingsvaartuig verdisconteerd. Het blijkt dat de aldus gevonden oppervlakte-verschillen i.h.a. binnen de fouten mogen liggen. Het verbinden van- conclusies aan de enkele grotere oppervlakte verschillen lijkt riskant, omdat het slechts een beperkt aantal registraties betreft. Wel kan in het algemeen gezegd worden dat vervorming of verplaatsing van zandgolven gedurende de meetperiode kleiner zijn dan de meet- en verwerkingsnauwkeurigheid. De megaribbels die op de zandgolven liggen werden ook geregistreerd. De lengte en hoogte van deze megaribbels wordt vergeleken met de in de voorgaande periode opgetreden significante golfhoogte. Het al eerder waargenomen verschijnsel van megaribbel-opbouw in de zomer en afvlakking in de winter wordt ook hier gevonden. Om de vorm van de zandgolven te kunnen verklaren wordt gezocht naar een fysisch fenomeen die dit kan beschrijven. Het lijkt dat de stroming over de zandgolven na het passeren van de top nog sterk verandert, zodat er een discontinuïteit in het zandtransport ontstaat. Achter de zandgolf is a.h.w. een stroomschaduw. Dit wordt verder het "luwte effect" genoemd.