M.L. Moleman
Please Note
8 records found
1
Spill-over effects between daily and air travel behavior
A panel analysis in the Netherlands
Revealing accessibility disparities
A latent class analysis linking objective and subjective accessibility measures
The last decade denoted a growing interest in perceived accessibility, yet the link between perceived and objective accessibility measures is understudied. This paper aims to address accessibility poverty by identifying groups with different levels of perceived accessibility. To achieve this aim, we develop a latent class model that relates perceived accessibility patterns to social, transport, and geographical conditions encountered by individuals. To support the specification of the latent class model, we develop a theoretical framework that links transport, social, and geographical conditions with perceived inaccessibility. Data is obtained from the Dutch National Travel Survey, which includes information on travel patterns and preferences. In total, 20,020 participants are included in the analysis. The latent class model identified six social groups with varying levels of perceived accessibility. Notably, while 89% of the individuals perceive excellent accessibility, a minority of 11% experiences different forms of inaccessibility. In addition, the latent class model showed that social rather than transport or spatial conditions encountered by individuals determine perceived inaccessibility. The results lend support to tailored policies aimed at reducing accessibility poverty and social exclusion for specific segments of the population.
Dit paper onderzoekt trends in het gebruik van fiets, e-fiets en lopen in Nederland aan de hand van data van Onderweg in Nederland (ODiN) over de periode 2018-2023. Vier onderzoeksvragen staan centraal: (1) hoeveel minuten besteden Nederlanders gemiddeld aan actieve vervoerswijzen en hoe verschilt dit per leeftijdsgroep? (2) hoe ontwikkelen deze trends zich door de tijd? (3) welk aandeel van de bevolking voldoet uitsluitend door actief reizen aan de beweegrichtlijn? en (4) welke mobiliteitsprofielen ten aanzien van actief vervoer bestaan er onder jongeren (15-17 jaar)?
De resultaten laten zien dat het gemiddeld aantal actieve minuten per persoon per dag licht steeg, van 29,9 minuten in 2018 naar 32,5 in 2023. Dit komt vooral door meer lopen, met een piek tijdens de coronajaren. Het gebruik van de gewone fiets daalde echter, vooral bij jongeren en ouderen, terwijl e-fietsgebruik toenam (van gemiddeld 3,3 naar 5,2 minuten per dag). Ondanks deze verschuiving is het totale aantal MET-minuten stabiel gebleven rond de 150. Circa 39% van de bevolking voldoet aan de beweegrichtlijn enkel via actieve verplaatsingen.
Een analyse van verschillende leeftijdscategorieën laat een tweedeling zien: volwassenen van 30 jaar en ouder behalen vaker de norm dankzij meer lopen en e-fietsen, terwijl jongeren (6-11, 15-17 en 20-24 jaar) juist minder actief reizen. Vooral 15-17 jarigen fietsen aanmerkelijk minder met de gewone fiets (-9 minuten per dag), wat leidt tot een daling in het percentage dat de norm haalt.
Een latente klasse analyse voor 15-17 jarigen identificeerde vijf mobiliteitsprofielen: fietsers, niet-actieven, gecombineerde fietsers-lopers, wandelaars en e-fietsers. Opvallend is dat jongeren met een e-fiets gemiddeld langere afstanden afleggen en meer actieve minuten maken dan gewone fietsers, wat de hypothese dat e-fietsen “te weinig beweging” opleveren weerlegt. De echte zorg ligt bij de groei van de niet-actieve groep, die veel reist als autopassagier.
Conclusie: actief vervoer blijft een belangrijke bijdrage leveren aan de fysieke activiteit van Nederlanders, maar de daling in fietsgebruik onder jongeren vraagt om aandacht. Beleidsmatig ligt de oplossing echter niet in het ontmoedigen van de elektrische fietsen. ...
Dit paper onderzoekt trends in het gebruik van fiets, e-fiets en lopen in Nederland aan de hand van data van Onderweg in Nederland (ODiN) over de periode 2018-2023. Vier onderzoeksvragen staan centraal: (1) hoeveel minuten besteden Nederlanders gemiddeld aan actieve vervoerswijzen en hoe verschilt dit per leeftijdsgroep? (2) hoe ontwikkelen deze trends zich door de tijd? (3) welk aandeel van de bevolking voldoet uitsluitend door actief reizen aan de beweegrichtlijn? en (4) welke mobiliteitsprofielen ten aanzien van actief vervoer bestaan er onder jongeren (15-17 jaar)?
De resultaten laten zien dat het gemiddeld aantal actieve minuten per persoon per dag licht steeg, van 29,9 minuten in 2018 naar 32,5 in 2023. Dit komt vooral door meer lopen, met een piek tijdens de coronajaren. Het gebruik van de gewone fiets daalde echter, vooral bij jongeren en ouderen, terwijl e-fietsgebruik toenam (van gemiddeld 3,3 naar 5,2 minuten per dag). Ondanks deze verschuiving is het totale aantal MET-minuten stabiel gebleven rond de 150. Circa 39% van de bevolking voldoet aan de beweegrichtlijn enkel via actieve verplaatsingen.
Een analyse van verschillende leeftijdscategorieën laat een tweedeling zien: volwassenen van 30 jaar en ouder behalen vaker de norm dankzij meer lopen en e-fietsen, terwijl jongeren (6-11, 15-17 en 20-24 jaar) juist minder actief reizen. Vooral 15-17 jarigen fietsen aanmerkelijk minder met de gewone fiets (-9 minuten per dag), wat leidt tot een daling in het percentage dat de norm haalt.
Een latente klasse analyse voor 15-17 jarigen identificeerde vijf mobiliteitsprofielen: fietsers, niet-actieven, gecombineerde fietsers-lopers, wandelaars en e-fietsers. Opvallend is dat jongeren met een e-fiets gemiddeld langere afstanden afleggen en meer actieve minuten maken dan gewone fietsers, wat de hypothese dat e-fietsen “te weinig beweging” opleveren weerlegt. De echte zorg ligt bij de groei van de niet-actieve groep, die veel reist als autopassagier.
Conclusie: actief vervoer blijft een belangrijke bijdrage leveren aan de fysieke activiteit van Nederlanders, maar de daling in fietsgebruik onder jongeren vraagt om aandacht. Beleidsmatig ligt de oplossing echter niet in het ontmoedigen van de elektrische fietsen.
Ervaren bereikbaarheid in beweging
De verklarende factoren achter veranderingen in bereikbaarheidspercepties
Uit eerder onderzoek weten we dat sociaal-demografische kenmerken, het bezit van vervoermiddelen, en attitudes variaties in ervaren bereikbaarheid tussen personen verklaart. De factoren die veranderingen in ervaren bereikbaarheid binnen een individu verklaren zijn echter nog nauwelijks onderzocht.
In deze studie analyseren we daarom longitudinaal de veranderingen in ervaren bereikbaarheid en de factoren die deze veranderingen verklaren. Ten behoeve van dit onderzoeksdoel hebben we een panel analyse uitgevoerd met data over 543 personen van het Mobiliteitspanel Nederland (MPN) in 2020 en 2023. Specifiek genomen maken we gebruik van een longitudinale latente klasse analyse om longitudinale profielen in ervaren bereikbaarheid voor verschillende groepen te identificeren. Vervolgens is een fixed effects panel regressie geschat om de factoren die veranderingen in bereikbaarheidspercepties verklaren te analyseren en te identificeren.
De longitudinale latente klasse analyse bracht zes ervaren bereikbaarheidsprofielen aan het licht. Drie van deze profielen (61% van de steekproef) bleven relatief stabiel over tijd, terwijl de andere profielen duidelijke verschuivingen tussen 2020 en 2023 lieten zien. Eén cluster (12% van de steekproef) ervaarde een toename in ervaren bereikbaarheid, terwijl twee clusters (27% van de steekproef) een afname rapporteerden. Het fixed effects-model identificeerde determinanten van deze veranderingen. Veranderingen in vervoermiddelenbezit hebben een aanzienlijk effect op veranderingen in ervaren bereikbaarheid. Daarnaast droegen veranderingen in de afstand tot nabijgelegen voorzieningen zoals de supermarkt, middelbare school en treinstation ook bij aan veranderingen in bereikbaarheidspercepties. Echter speelden zij een minder prominente rol dan een verandering in vervoermiddelbezit.
De relatie tussen feitelijke en ervaren bereikbaarheid onderstreept dat de bereikbaarheidsperceptie van individuen zal verslechteren naarmate voorzieningen wegvallen. Het beschikken over vervoermiddelen zoals een auto wordt dan essentieel om toegang tot locaties te behouden. Het is juist deze wisselwerking tussen nabijheid van voorzieningen en reismogelijkheden die als cruciaal moet worden gezien in transportbeleid.
...
Uit eerder onderzoek weten we dat sociaal-demografische kenmerken, het bezit van vervoermiddelen, en attitudes variaties in ervaren bereikbaarheid tussen personen verklaart. De factoren die veranderingen in ervaren bereikbaarheid binnen een individu verklaren zijn echter nog nauwelijks onderzocht.
In deze studie analyseren we daarom longitudinaal de veranderingen in ervaren bereikbaarheid en de factoren die deze veranderingen verklaren. Ten behoeve van dit onderzoeksdoel hebben we een panel analyse uitgevoerd met data over 543 personen van het Mobiliteitspanel Nederland (MPN) in 2020 en 2023. Specifiek genomen maken we gebruik van een longitudinale latente klasse analyse om longitudinale profielen in ervaren bereikbaarheid voor verschillende groepen te identificeren. Vervolgens is een fixed effects panel regressie geschat om de factoren die veranderingen in bereikbaarheidspercepties verklaren te analyseren en te identificeren.
De longitudinale latente klasse analyse bracht zes ervaren bereikbaarheidsprofielen aan het licht. Drie van deze profielen (61% van de steekproef) bleven relatief stabiel over tijd, terwijl de andere profielen duidelijke verschuivingen tussen 2020 en 2023 lieten zien. Eén cluster (12% van de steekproef) ervaarde een toename in ervaren bereikbaarheid, terwijl twee clusters (27% van de steekproef) een afname rapporteerden. Het fixed effects-model identificeerde determinanten van deze veranderingen. Veranderingen in vervoermiddelenbezit hebben een aanzienlijk effect op veranderingen in ervaren bereikbaarheid. Daarnaast droegen veranderingen in de afstand tot nabijgelegen voorzieningen zoals de supermarkt, middelbare school en treinstation ook bij aan veranderingen in bereikbaarheidspercepties. Echter speelden zij een minder prominente rol dan een verandering in vervoermiddelbezit.
De relatie tussen feitelijke en ervaren bereikbaarheid onderstreept dat de bereikbaarheidsperceptie van individuen zal verslechteren naarmate voorzieningen wegvallen. Het beschikken over vervoermiddelen zoals een auto wordt dan essentieel om toegang tot locaties te behouden. Het is juist deze wisselwerking tussen nabijheid van voorzieningen en reismogelijkheden die als cruciaal moet worden gezien in transportbeleid.
To address transport injustice and social exclusion, the needs and perceptions of different groups of individuals seem indispensable. Consequently, perceived accessibility has received a growing interest in recent years. While it is well established that transport and social disadvantages cause transport poverty and perceived inaccessibility, only recently the relevance of geographical disadvantages has been addressed. This paper explores the idea that an individual is more likely to experience inaccessibility if they face transport, social, or geographical disadvantages in at least two of these dimensions of transport poverty. For instance, while living in a rural area or lacking the ownership of a car may not translate into low perceived access on themselves, the combination of the two might lower perceived access. To empirically assess whether and which disadvantages indeed lower perceived accessibility further, the effect of combinations of disadvantages on perceived accessibility in rural and urban areas of the Netherlands are systematically explored using a regression analysis. Data is retrieved from the Dutch National Travel Survey. This survey includes a 1-day travel diary, measures both objective and subjective accessibility, and is administered among a representative sample of the Dutch population. In total, a large and representative sample of 22,742 participants is included in the analysis. Results highlight that rural-living individuals only perceive inaccessibility if they indeed encounter one or more transport and/or social disadvantages as well. Also, not possessing a driver's license determines perceived inaccessibility to a larger extent than a lack of car ownership. Lastly, possessing an e-bike is beneficial for the elderly in both rural and urban Dutch areas. The research findings may support policymakers and practitioners in tailoring policy interventions towards the needs of individuals who suffer from multiple disadvantages.
The role of status quo bias in shaping support for controversial transport policies
The counterfactual test
A biased preference for the status quo could explain the increased support for policies following their implementation. However, the influence of status quo bias on support for transport policies has been analysed to a limited extent only. The counterfactual test serves as a potential method to empirically explore this influence by framing policies as the existing or alternative situation. This paper employs the counterfactual test to ascertain whether individuals disproportionately favour the status quo. To this end, we have designed separate experiments focusing on three transport policies: road pricing, speed limits, and train ticket fare differentiation. The results indicate that status quo bias does indeed influence support for transport policies. Participants prefer each policy option when framed as the status quo. In contrast, support for the same policy option declines when presented as the alternative situation. These findings underscore the irrational tendency to adhere to the status quo, which may stem from psychological commitments or cognitive misperceptions. Therefore, politicians, policymakers, and practitioners should anticipate a bias towards the status quo when introducing controversial transport policies.
The Importance of Direct Routes for Air Travel Itinerary Choices
Results from a Stated Preference Choice Experiment
Over the past years, aviation policies are more and more focussed on sustainability rather than connectivity, putting pressure on airlines to re-design the network. For this, evaluating air travellers their preferences on direct routing compared to lay-overs is needed to make well-informed design choices. This paper examines the preferences of air travellers on direct itineraries by applying a data-driven approach. To this end, a stated preference choice experiment is developed and implemented in an online survey. The results of the latent class choice model show two types of flyers with different preferences, labelled as time sensitive and price sensitive flyers. The model outcomes indicate that both are willing to pay for direct itineraries, while time sensitive flyers are willing to pay substantially more. Other flight characteristics also play an important role in air travellers’ route choice, such as the distance to the airport, travel time, and transfer time. Travel motive, ticket price compensation by the employer, and experience with layovers drive whether air travellers belong to the time or price sensitive flyers. The distinction between time and price sensitive flyers and their preferences is expected to yield more tailored transport policies than a distinction between, for instance, business and non-business. Future research should focus on the societal impact of a reduction in direct itineraries for air travellers, using insights gained in this study.
The role of status quo bias in controversial transport policies
The counterfactual test