De invloed van stedelijke gebiedskenmerken op grondwaterfluctuaties
Peilbuisanalyse naar de invloed van stedelijke gebiedskenmerken voor funderingsbehoud in Rotterdam
E.P.P. Weizenbach (TU Delft - Civil Engineering & Geosciences)
E. Mostert – Mentor (TU Delft - Surface and Groundwater Hydrology)
Miriam Coenders-Gerrits – Mentor (TU Delft - Water Systems Monitoring & Modelling)
More Info
expand_more
Other than for strictly personal use, it is not permitted to download, forward or distribute the text or part of it, without the consent of the author(s) and/or copyright holder(s), unless the work is under an open content license such as Creative Commons.
Abstract
Deze masterthesis onderzoekt hoe stedelijke gebiedskenmerken het grondwatergedrag beïnvloeden en welke implicaties dit heeft voor risico’s op funderingsschade, maaivelddaling en wateroverlast. De meegenomen gebiedskenmerken zijn: verharding, boomdekking, riool, DIT, drainage, drooglegging, afstand tot oppervlaktewater en grondsoort. Voor de analyse zijn dagelijkse tijdreeksen van honderden peilbuizen van de gemeente Rotterdam geanalyseerd. Voor elke peilbuis is de amplitude bepaald op basis van de seizoenskarakteristieken (GHG en GLG), daarnaast is ook de mediane grondwaterstand bepaald. Genoemde karakteristieken zijn gerelateerd aan klassen van gebiedskenmerken. Daarmee is getoetst naar de samenhang tussen de amplitude en gebiedskenmerken en aangevuld met een niveau-analyse ten opzichte van maaiveld. De aanpak is stadsbreed toegepast en verdiept met een wijkspecifieke uitwerking om het effect van de individuele gebiedskenmerken beter te analyseren.
Drie kenmerken hangen consequent samen met kleinere fluctuaties van de grondwaterstand: verharding, drainage en DIT-systemen. Dit beeld komt naar voren in de stadsbrede analyse en wordt in de wijkspecifieke analyse bevestigd. Drooglegging blijkt vooral het niveau ten opzichte van maaiveld te bepalen, bij grotere drooglegging ligt de mediane grondwaterstand dieper. De analyse ten opzichte van het maaiveld laat ook zien dat minder verharding zorgt voor een grotere ontwateringsdiepte. Het verschil tussen laag en hoog verharde klassen is substantieel, orde 0,3 m in de mediaan.
Andere kenmerken laten geen eenduidig verband zien. Boomdekking en riolering werken vooral lokaal, en een robuust effect van afstand tot oppervlaktewater is niet vastgesteld. De amplitude laat zich met de huidige gegevens niet betrouwbaar voorspellen op basis van alleen gebiedskenmerken, de resultaten zijn wel bruikbaar als richtinggevend kader.
Als laatste is getoetst aan de bandbreedte van de grondwaterstand, met drie criteria: ontwateringsdiepte ten opzichte van GHG, GLG ten opzichte van het niveau van het bovenste funderingshout en de mediaan ten opzichte van het singelpeil. In minder verharde, groenere gebieden ligt de GHG gemiddeld dichter bij het maaiveld, waardoor de ontwateringsdiepte vaker onder de grenswaarde van 0,80 m blijft en de kans op wateroverlast toeneemt. Voor de GLG ten opzichte van het bovenste funderingshout en de mediaan ten opzichte van het singelpeil is geen systematische samenhang met de verhardingsgraad aangetoond.
De resultaten laten zien dat verharding, drainage en DIT de belangrijkste sturingsknoppen zijn om grondwaterfluctuaties te beperken en daarmee potentieel grondwaterproblemen en funderingsrisico’s te verkleinen. Deze kenmerken moeten hierom nadrukkelijk meegewogen worden bij inrichting en beheer van het stedelijk gebied en in het lokale grondwaterbeheer.
Belangrijk aandachtspunt is dat grondsoort in dit onderzoek slechts via de toplaag is meegenomen. Informatie op filterdiepte en een karakterisatie van de directe omgeving van de peilbuis ontbreken, terwijl uit de literatuur en gesprekken met de Gemeente Rotterdam juist blijkt dat deze de grondwaterstand sterk kunnen beïnvloeden.