T. van Arkel
Please Note
10 records found
1
Transforming a precarious equilibrium
Embracing complexity in public design practices
What do designers bring to the table?
Identifying key design competencies when designing for societal challenges in the public sector
Een wankel evenwicht
Gedrag van personen met een arbeidsongeschikheidsuitkering
Bouwen aan synergetische samenwerkingen
Een onderzoek naar werken over grenzen in complexe veiligheidsvraagstukken
van kijken, denken en handelen om deze aan te pakken. Voor het brengen van nieuwe handelingsperspectieven op complexe maatschappelijke vraagstukken wordt steeds vaker samengewerkt met de ontwerpende disciplines. Deze samenwerking tussen publieke veiligheidsorganisaties en creatieve professionals is beloftevol, maar ook lastig en kwetsbaar. Want ondanks groot enthousiasme verloopt de samenwerking niet altijd even probleemloos. Allereerst zijn er botsingen in taal, cultuur en werkwijze. Waar de een werkt met heldere kaders, richtlijnen en protocollen, werkt de ander vanuit serendipiteit, associatie en ambiguïteit. Maar ook op een praktischer niveau valt een partnerschap lastig in te bouwen in de huidige systeemcontext. Wat koop je in als de uitkomsten van een proces nog onzeker zijn? En hoe past een verbredend en experimenterend proces in een organisatie gericht op efficiëntie en resultaat?
In dit onderzoek verkennen we de vraag wat er nodig is om tot meer synergetische samenwerking tussen creatieve professionals en publieke veiligheidsorganisaties te komen bij het werken in partnerschap. Hierbij zien we synergetische samenwerking als de ontwikkeling van uitkomsten die zonder samenwerken niet tot stand waren gekomen. We richten ons op de (infrastructurele) randvoorwaarden waaronder synergetische samenwerking
kan ontstaan bij het complexe ontwerpvraagstukken, en de mogelijkheden voor procesondersteuning die de kans op synergetische samenwerking vergroot.
De onderzoeksmethode bestond uit twee delen: een meervoudige casestudie en een ontwerpend onderzoek. In de meervoudige casestudie onderzochten we vier exemplarische samenwerkingen tussen creatieve professionals en publieke veiligheidsorganisaties. Hierbij zagen we een aantal factoren die gezorgd hebben voor meer of juist minder synergetische samenwerking. In synergetische samenwerkingen zien we dat er structureel meer aandacht wordt besteed aan werken over grenzen: disciplinaire grenzen binnen het team, grenzen met het vraagstuk, grenzen met de organisatie en grenzen met de buitenwereld.Als uitkomst presenteren we aan de hand van vier grenzen waarover heen gewerkt moet worden 16 bouwstenen voor synergetische samenwerking, een eerste aanzet voor aspecten waar in de samenwerking aandacht aan besteed moet worden.Hoe die bouwstenen zich manifesteren in een samenwerking in de praktijk, en wat de ondersteuningsbehoefte van creatieve professionals en randvoorwaarden voor de verdere ontwikkeling van procesondersteuning zijn verkenden we in het ontwerpend onderzoek. Hiervoor hebben we een samenwerkingstraject gevolgd en ondersteund. We zien daarbij mogelijkheden voor de ontwikkeling van een portfolio van instrumenten of infrastructuur specifiek gericht op het ondersteunen van samenwerkingen. Hiervoor formuleerden we, naast de toegepaste procesinterventies, een eerste set van ontwerpprincipes die zich richten op het versterken van professionals in het continu werken over grenzen.We stellen zeer zeker niet dat iedere samenwerking tot een synergetisch succes kan leiden. Maar we hopen wel met dit onderzoek eerste handvatten te geven hoe samenwerken met creatieve professionals vaker tot synergie tussen partners kan leiden, en daarmee de impact op de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd kan vergroten. Als afsluiting van het onderzoek geven we enkele richtingen voor vervolgstappen in (ontwerpend) onderzoek, en geven we praktische handvatten door middel van een procesontwerp voor elk van de vier grenzen gericht op professionals om in de praktijk mee aan de slag te gaan voor het inrichten van samenwerkingen. ...
van kijken, denken en handelen om deze aan te pakken. Voor het brengen van nieuwe handelingsperspectieven op complexe maatschappelijke vraagstukken wordt steeds vaker samengewerkt met de ontwerpende disciplines. Deze samenwerking tussen publieke veiligheidsorganisaties en creatieve professionals is beloftevol, maar ook lastig en kwetsbaar. Want ondanks groot enthousiasme verloopt de samenwerking niet altijd even probleemloos. Allereerst zijn er botsingen in taal, cultuur en werkwijze. Waar de een werkt met heldere kaders, richtlijnen en protocollen, werkt de ander vanuit serendipiteit, associatie en ambiguïteit. Maar ook op een praktischer niveau valt een partnerschap lastig in te bouwen in de huidige systeemcontext. Wat koop je in als de uitkomsten van een proces nog onzeker zijn? En hoe past een verbredend en experimenterend proces in een organisatie gericht op efficiëntie en resultaat?
In dit onderzoek verkennen we de vraag wat er nodig is om tot meer synergetische samenwerking tussen creatieve professionals en publieke veiligheidsorganisaties te komen bij het werken in partnerschap. Hierbij zien we synergetische samenwerking als de ontwikkeling van uitkomsten die zonder samenwerken niet tot stand waren gekomen. We richten ons op de (infrastructurele) randvoorwaarden waaronder synergetische samenwerking
kan ontstaan bij het complexe ontwerpvraagstukken, en de mogelijkheden voor procesondersteuning die de kans op synergetische samenwerking vergroot.
De onderzoeksmethode bestond uit twee delen: een meervoudige casestudie en een ontwerpend onderzoek. In de meervoudige casestudie onderzochten we vier exemplarische samenwerkingen tussen creatieve professionals en publieke veiligheidsorganisaties. Hierbij zagen we een aantal factoren die gezorgd hebben voor meer of juist minder synergetische samenwerking. In synergetische samenwerkingen zien we dat er structureel meer aandacht wordt besteed aan werken over grenzen: disciplinaire grenzen binnen het team, grenzen met het vraagstuk, grenzen met de organisatie en grenzen met de buitenwereld.Als uitkomst presenteren we aan de hand van vier grenzen waarover heen gewerkt moet worden 16 bouwstenen voor synergetische samenwerking, een eerste aanzet voor aspecten waar in de samenwerking aandacht aan besteed moet worden.
Hoe die bouwstenen zich manifesteren in een samenwerking in de praktijk, en wat de ondersteuningsbehoefte van creatieve professionals en randvoorwaarden voor de verdere ontwikkeling van procesondersteuning zijn verkenden we in het ontwerpend onderzoek. Hiervoor hebben we een samenwerkingstraject gevolgd en ondersteund. We zien daarbij mogelijkheden voor de ontwikkeling van een portfolio van instrumenten of infrastructuur specifiek gericht op het ondersteunen van samenwerkingen. Hiervoor formuleerden we, naast de toegepaste procesinterventies, een eerste set van ontwerpprincipes die zich richten op het versterken van professionals in het continu werken over grenzen.
We stellen zeer zeker niet dat iedere samenwerking tot een synergetisch succes kan leiden. Maar we hopen wel met dit onderzoek eerste handvatten te geven hoe samenwerken met creatieve professionals vaker tot synergie tussen partners kan leiden, en daarmee de impact op de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd kan vergroten. Als afsluiting van het onderzoek geven we enkele richtingen voor vervolgstappen in (ontwerpend) onderzoek, en geven we praktische handvatten door middel van een procesontwerp voor elk van de vier grenzen gericht op professionals om in de praktijk mee aan de slag te gaan voor het inrichten van samenwerkingen.
Designing appropriate things
An experiential perspective on the effectiveness of artefacts in contributing to behaviour change
IDOLS* Langetermijneffecten
Sociale innovatie met de culturele en creatieve sector : Een onderzoek naar de langetermijneffecten van het IDOLS*-programma
uit verschillende sectoren en opdrachtnemers uit de culturele en creatieve sector. Het belangrijkste doel van het programma was het vergroten van het verdienvermogen van de culturele en creatieve industrie en het promoten van maatschappelijke innovatie.
Het onderzoek in dit rapport beschrijft de (in)directe effecten en neveneffecten (ook wel spillovers genoemd) van het IDOLS*-programma op de lange termijn. We hebben in lijn met de doelstellingen van het programma gekeken naar zowel de impact van de gegenereerde innovatie als het effect op het vergroten van de arbeidsmarkt en het verdienvermogen van de culturele en creatieve sector. Dit onderzoek vormt daarmee een aanvulling op eerder onderzoek naar de waarde en impact van IDOLS*, dat vrijwel direct na afloop van het programma in 2020 is uitgevoerd.
De onderzoeksmethode bestond uit acht semigestructureerde interviews met geselecteerde deelnemers van verschillende consortia die een sleutelrol hebben gespeeld in de ontwikkelingen na afloop van het programma. Hiermee kregen we antwoord op de volgende onderzoeksvragen:
1. Wat zijn de langetermijneffecten van het IDOLS*-programma met betrekking tot de maatschappelijke en economische impact van de gegenereerde innovaties?
2. Wat zijn de langetermijneffecten van het IDOLS*-programma met betrekking
tot de ontwikkeling van het professionele netwerk en de reputatie van de creatieve en culturele industrie?
3. Wat voor rol heeft het IDOLS*-programma gespeeld in de ontwikkeling van deze langetermijneffecten?
In antwoord op onderzoeksvraag 1 en 2 zien we een grote verscheidenheid aan maatschappelijke, economische, netwerk- en reputatie-(bij)effecten. Deze variëteit kan toegewezen worden aan het feit dat consortia redelijk vrij waren in het definiëren van de vraagstelling en in de uitvoer van het project. In dit onderzoek onderscheiden we twee typerende rollen die IDOLS* heeft gespeeld in het creëren van die langetermijneffecten.
Ten eerste door bestaande initiatieven te versterken en ten tweede door nieuwe netwerken te stimuleren. Hierbij zien we dat projecten die bestaande initiatieven versterken vooral leiden tot maatschappelijke en economische effecten, terwijl projecten die nieuwe netwerken stimuleren vooral netwerk- en reputatie-effecten tot gevolg hebben.
We zien een relatief beperkte directe impact van de innovaties. Twee van de acht consortia zijn nu, ongeveer anderhalf jaar nadat het project officieel werd afgerond, nog actief bezig met de ontwikkeling en opschaling van de resultaten van IDOLS*. Bij drie andere consortia zijn de innovaties na afloop van het programma een stap verder gebracht maar is het proces daarna gestopt. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn gebrek aan eigenaarschap en gebrek aan capaciteit om projecten verder te brengen. In drie gevallen is de opgedane kennis omgezet in een minder tastbare doorontwikkeling, zoals andere manieren van werken of een doorvertaling van een innovatie of idee naar een beleidsprogramma.
Uit de interviews blijkt dat er netwerkeffecten en reputatie-effecten zijn gegenereerd waarvan we aannemen dat die positief bijdragen aan het verdienvermogen van de culturele en creatieve industrie. Het directe verdienvermogen kon in deze studie echter niet gemeten worden.
Drie van de acht onderzochte consortia hebben zich doorontwikkeld tot een sterk netwerk dat nog in de volle breedte opereert en van waaruit nieuw opdrachtgeverschap voortvloeit. Bij vier andere consortia zijn er nog steeds sterke individuele samenwerkingsrelaties, bijvoorbeeld tussen een probleemeigenaar en één van de partners uit de creatieve
en culturele industrie. Eén van de onderzochte consortia heeft niet geleid tot nieuwe samenwerkingen na afloop van het project.
Naast deze netwerkeffecten heeft IDOLS* ook tot reputatie-effecten geleid. Er zijn meerdere factoren die bijdragen aan deze reputatie-effecten. In het IDOLS*-programma kon bij deelnemende probleemeigenaren de waarde gedemonstreerd worden van een creatieve aanpak in maatschappelijke vraagstukken. Ook konden binnen IDOLS* aansprekende casussen ontwikkeld worden die inspirerend zijn voor niet-deelnemende organisaties en
tot nieuw opdrachtgeverschap kunnen leiden. Zowel deze sterke netwerken en verhoogde reputatie van de sector kunnen door nieuw opdrachtgeverschap uiteindelijk zorgen voor nieuwe innovaties die op hun beurt maatschappelijke en economische waarde kunnen opleveren.
We concluderen dat het IDOLS*-programma een grote variëteit aan langetermijneffecten heeft opgeleverd. Het onderzoek geeft geen inzicht in de directe oorzaak van deze effecten. Het is aannemelijk dat elementen van het programma en contextuele factoren meespelen. Daarnaast zijn er ook effecten verkregen die niet direct aansluiten bij de doelstelling van het programma. Om de kans te vergroten dat er effecten verkregen worden die in lijn liggen met de doelstelling van het programma, doen wij als belangrijkste aanbeveling dat het programma wordt ingericht op één van de gepresenteerde rollen. Of er kan gekozen worden om diversificatie in het programma aan te brengen, ten aanzien van deze verschillende rollen. Dit kan bereikt worden door gericht vorm te geven aan de criteria waarop deelnemende consortia geselecteerd worden, door verwachtingen tussen aspirant-consortia en het programma (en tussen deelnemers binnen consortia) te managen, door coaching, educatie en financiering in te richten naar het doel van het programma en de samenstelling van consortia, en door na afloop van het programma meer aandacht te geven en ondersteuning te bieden aan het in stand houden van netwerken. ...
uit verschillende sectoren en opdrachtnemers uit de culturele en creatieve sector. Het belangrijkste doel van het programma was het vergroten van het verdienvermogen van de culturele en creatieve industrie en het promoten van maatschappelijke innovatie.
Het onderzoek in dit rapport beschrijft de (in)directe effecten en neveneffecten (ook wel spillovers genoemd) van het IDOLS*-programma op de lange termijn. We hebben in lijn met de doelstellingen van het programma gekeken naar zowel de impact van de gegenereerde innovatie als het effect op het vergroten van de arbeidsmarkt en het verdienvermogen van de culturele en creatieve sector. Dit onderzoek vormt daarmee een aanvulling op eerder onderzoek naar de waarde en impact van IDOLS*, dat vrijwel direct na afloop van het programma in 2020 is uitgevoerd.
De onderzoeksmethode bestond uit acht semigestructureerde interviews met geselecteerde deelnemers van verschillende consortia die een sleutelrol hebben gespeeld in de ontwikkelingen na afloop van het programma. Hiermee kregen we antwoord op de volgende onderzoeksvragen:
1. Wat zijn de langetermijneffecten van het IDOLS*-programma met betrekking tot de maatschappelijke en economische impact van de gegenereerde innovaties?
2. Wat zijn de langetermijneffecten van het IDOLS*-programma met betrekking
tot de ontwikkeling van het professionele netwerk en de reputatie van de creatieve en culturele industrie?
3. Wat voor rol heeft het IDOLS*-programma gespeeld in de ontwikkeling van deze langetermijneffecten?
In antwoord op onderzoeksvraag 1 en 2 zien we een grote verscheidenheid aan maatschappelijke, economische, netwerk- en reputatie-(bij)effecten. Deze variëteit kan toegewezen worden aan het feit dat consortia redelijk vrij waren in het definiëren van de vraagstelling en in de uitvoer van het project. In dit onderzoek onderscheiden we twee typerende rollen die IDOLS* heeft gespeeld in het creëren van die langetermijneffecten.
Ten eerste door bestaande initiatieven te versterken en ten tweede door nieuwe netwerken te stimuleren. Hierbij zien we dat projecten die bestaande initiatieven versterken vooral leiden tot maatschappelijke en economische effecten, terwijl projecten die nieuwe netwerken stimuleren vooral netwerk- en reputatie-effecten tot gevolg hebben.
We zien een relatief beperkte directe impact van de innovaties. Twee van de acht consortia zijn nu, ongeveer anderhalf jaar nadat het project officieel werd afgerond, nog actief bezig met de ontwikkeling en opschaling van de resultaten van IDOLS*. Bij drie andere consortia zijn de innovaties na afloop van het programma een stap verder gebracht maar is het proces daarna gestopt. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn gebrek aan eigenaarschap en gebrek aan capaciteit om projecten verder te brengen. In drie gevallen is de opgedane kennis omgezet in een minder tastbare doorontwikkeling, zoals andere manieren van werken of een doorvertaling van een innovatie of idee naar een beleidsprogramma.
Uit de interviews blijkt dat er netwerkeffecten en reputatie-effecten zijn gegenereerd waarvan we aannemen dat die positief bijdragen aan het verdienvermogen van de culturele en creatieve industrie. Het directe verdienvermogen kon in deze studie echter niet gemeten worden.
Drie van de acht onderzochte consortia hebben zich doorontwikkeld tot een sterk netwerk dat nog in de volle breedte opereert en van waaruit nieuw opdrachtgeverschap voortvloeit. Bij vier andere consortia zijn er nog steeds sterke individuele samenwerkingsrelaties, bijvoorbeeld tussen een probleemeigenaar en één van de partners uit de creatieve
en culturele industrie. Eén van de onderzochte consortia heeft niet geleid tot nieuwe samenwerkingen na afloop van het project.
Naast deze netwerkeffecten heeft IDOLS* ook tot reputatie-effecten geleid. Er zijn meerdere factoren die bijdragen aan deze reputatie-effecten. In het IDOLS*-programma kon bij deelnemende probleemeigenaren de waarde gedemonstreerd worden van een creatieve aanpak in maatschappelijke vraagstukken. Ook konden binnen IDOLS* aansprekende casussen ontwikkeld worden die inspirerend zijn voor niet-deelnemende organisaties en
tot nieuw opdrachtgeverschap kunnen leiden. Zowel deze sterke netwerken en verhoogde reputatie van de sector kunnen door nieuw opdrachtgeverschap uiteindelijk zorgen voor nieuwe innovaties die op hun beurt maatschappelijke en economische waarde kunnen opleveren.
We concluderen dat het IDOLS*-programma een grote variëteit aan langetermijneffecten heeft opgeleverd. Het onderzoek geeft geen inzicht in de directe oorzaak van deze effecten. Het is aannemelijk dat elementen van het programma en contextuele factoren meespelen. Daarnaast zijn er ook effecten verkregen die niet direct aansluiten bij de doelstelling van het programma. Om de kans te vergroten dat er effecten verkregen worden die in lijn liggen met de doelstelling van het programma, doen wij als belangrijkste aanbeveling dat het programma wordt ingericht op één van de gepresenteerde rollen. Of er kan gekozen worden om diversificatie in het programma aan te brengen, ten aanzien van deze verschillende rollen. Dit kan bereikt worden door gericht vorm te geven aan de criteria waarop deelnemende consortia geselecteerd worden, door verwachtingen tussen aspirant-consortia en het programma (en tussen deelnemers binnen consortia) te managen, door coaching, educatie en financiering in te richten naar het doel van het programma en de samenstelling van consortia, en door na afloop van het programma meer aandacht te geven en ondersteuning te bieden aan het in stand houden van netwerken.